wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenquiz spijsvertering

Total questions: 65

Worksheet time: 49mins

Name
Class
Date
1.

Welke drie hoofdgroepen van voedingsstoffen worden onderscheiden?

a)

Beschermende stoffen, brandstoffen, bouwstoffen

b)

Koolhydraten, eiwitten, voedingsvezels

c)

Vitamine A, vitamine C, vitamine D

d)

Calcium, ijzer, natrium

2.

Wat is de functie van brandstoffen in het lichaam?

a)

Energie leveren voor arbeid en temperatuur

b)

Beschermen tegen ziekten en infecties

c)

Opbouwen van weefsels en nieuwe cellen

d)

Reguleren van zenuwgeleiding en hormonen

3.

Welke combinatie hoort bij bouwstoffen?

a)

Eiwitten, water en mineralen

b)

Suikers en vetten

c)

Vitamines en mineralen

d)

Voedingsvezels en water

4.

Wat wordt bedoeld met energetische waarde op een etiket?

a)

Chemische energie per 100 g of 100 ml

b)

Aantal vitamines per portie

c)

Hoeveelheid voedingsvezels per pak

d)

Percentage dagelijkse inname per dag

5.

Waarom beschermen pizza en frietjes je niet tegen de griep?

a)

Ze leveren vooral brandstoffen en weinig beschermende stoffen

b)

Ze bevatten geen water en mineralen

c)

Ze hebben nul energetische waarde

d)

Ze verlagen lichaamstemperatuur bij inspanning

6.

Welke voedingsstoffen hebben een beschermende functie?

a)

Vitamines en mineralen

b)

Suikers en vetten

c)

Eiwitten en water

d)

Vezels en eiwitten

7.

Wat bepaalt mee hoeveel energie je dagelijks nodig hebt?

a)

Leeftijd, geslacht en fysieke activiteit

b)

Smaakvoorkeuren en merkkeuze

c)

Tijdstip van maaltijden en kleur van voedsel

d)

Vorm van verpakking en etiketontwerp

8.

Finn eet voor intensieve sport een bord spaghetti met bruine suiker. Welke voedingsstoffen neemt hij vooral op?

a)

Suikers en vetten als brandstoffen

b)

Vitamines en mineralen als beschermers

c)

Eiwitten en water als bouwstoffen

d)

Vezels en mineralen als regulatoren

9.

Welke voedingsgroep levert vooral energie voor dagelijkse activiteiten?

a)

Beschermende stoffen zoals vitaminen

b)

Brandstoffen zoals koolhydraten en vetten

c)

Bouwstoffen zoals eiwitten en water

d)

Mineralen zoals ijzer en calcium

10.

Wat is een primaire functie van bouwstoffen in het lichaam?

a)

Ziekten afweren door antioxidanten

b)

Energie leveren bij intensieve inspanning

c)

Weefsels opbouwen en herstellen

d)

Vochtbalans regelen via zouten

11.

Welke combinatie hoort het meest bij beschermende stoffen?

a)

Vitamines en mineralen

b)

Eiwitten en vetten

c)

Koolhydraten en vezels

d)

Water en essentiële aminozuren

12.

Welke voedingsstof is vooral een brandstof op korte termijn?

a)

Koolhydraten uit volkorenproducten

b)

Eiwitten uit peulvruchten

c)

Vitamines uit citrusvruchten

d)

Mineralen uit zuivel

13.

Kies het voorbeeld dat correct koppelt voedingsstof aan functie.

a)

Vitamine C — zuurstoftransport door hemoglobine

b)

Calcium — energieproductie in glycolyse

c)

Koolhydraten — directe brandstof voor hersenen

d)

Eiwitten — opslag van vetoplosbare vitaminen

14.

Een sporter wil sneller herstellen na krachttraining. Welke voedingskeuze ondersteunt dit doel het best?

a)

Meer verzadigd vet voor langdurige energie

b)

Extra water voor acute koolhydraatreserve

c)

Eiwitrijke maaltijd voor spierherstel

d)

Meer mineralen voor extra calorieën

15.

Welke kernboodschap hoort bij de voedingsdriehoek voor dagelijkse keuzes?

a)

Altijd hetzelfde eten zonder variatie

b)

Variëren en aanvullen binnen duurzame keuzes

c)

Alle dierlijke producten volledig vermijden

d)

Slechts één voedingsgroep per maaltijd eten

16.

Welke uitspraak over bewegen binnen een gezonde levensstijl klopt het best?

a)

Bewegen is optioneel en vooral voor sporters

b)

Bewegen is belangrijk voor een gezonde levensstijl

c)

Bewegen vervangt het eten van eiwitten volledig

d)

Bewegen is alleen nodig bij overgewicht

17.

Welke testreactie gebruik je om zetmeel aan te tonen in een voedingsmiddel?

a)

Diastix met glucoseoplossing

b)

Albustix in gedemineraliseerd water

c)

Lugoloplossing op een zetmeelpapiertje

d)

Droog custardpoeder tegen nat papier

18.

Welke waarneming wijst op de aanwezigheid van glucose bij gebruik van diastix?

a)

Kleurverandering naar paars-zwart

b)

Kleurverandering van lichtgroen naar bruin

c)

Poeder dat donkerder wordt van kleur

d)

Doorzichtige vetvlek op papier

19.

Welke waarneming past bij het aantonen van vetten in een voedingsmiddel?

a)

Poeder dat donkerder wordt van kleur

b)

Kleurverandering van geel naar groen

c)

Ontstaan van een doorzichtige plek op papier

d)

Kleurverandering naar bruin bij diastix

20.

Wat is een positief resultaat van de eiwittest met biuret-reagens?

a)

Oplossing kleurt blauw-zwart

b)

Oplossing kleurt paars-violet

c)

Oplossing wordt troebel wit

d)

Oplossing kleurt fel oranje

21.

Welke eenvoudige test toont vetten aan in voedingsmiddelen?

a)

Doorlatende vlek op papier

b)

Gasontwikkeling in water

c)

Sterke zure geurvorming

d)

Snel bruisen met azijn

22.

Tijdens lang kauwen smaakt brood zoeter. Welke verklaring past het best bij deze waarneming?

a)

Jodium reageert met speeksel

b)

Zetmeel wordt omgezet in glucose

c)

Vetten lossen op in water

d)

Eiwitten denatureren door kauwen

23.

Wat is het doel van spijsvertering volgens de leerstof?

a)

Voedsel opslaan voor later

b)

Voedingsstoffen opnemen in het bloed

c)

Water uit voedsel verdampen

d)

Smaakstoffen concentreren

24.

Welke stof in de maag helpt bacteriën doden tijdens de vertering?

a)

Maagzuur

b)

Speeksel

c)

Galzout

d)

Amylase

25.

Wat is de belangrijkste functie van peristaltiek in de slokdarm?

a)

Voedsel voortstuwen richting maag

b)

Voedsel chemisch afbreken

c)

Water uit voedsel resorberen

d)

Bacteriën uit voedsel verwijderen

26.

Welke voedingsstof wordt al in de mond door speekselenzymen afgebroken?

a)

Zetmeel

b)

Eiwitten

c)

Vetten

d)

Nucleïnezuren

27.

Waarom worden proefbuizen met speeksel-zetmeel vaak op 37 °C gehouden in een proef?

a)

Om lichaamstemperatuur na te bootsen

b)

Om snel te laten verdampen

c)

Om lugol te activeren

d)

Om diastix te neutraliseren

28.

Wat geeft een kleurverandering van lugol naar paars-zwart aan in een zetmeeltest?

a)

Aanwezig zetmeel

b)

Aanwezig glucose

c)

Afwezig water

d)

Afwezig eiwit

29.

Welk type orgaan is de maag qua vorm en functie het best te omschrijven?

a)

Holle zak van spierweefsel

b)

Lange stijve buis

c)

Vlakke gespierde plaat

d)

Vertakte dunne buis

30.

Welke bewering over slokdarmspieren bij peristaltiek is correct?

a)

Kringspieren en lengtespieren knijpen ritmisch

b)

Alleen kringspieren trekken samen

c)

Alleen lengtespieren trekken samen

d)

Spieren ontspannen gelijktijdig overal

31.

Welk proces maakt het mogelijk dat je zelfs ondersteboven nog kunt slikken?

a)

Peristaltiek in de slokdarm

b)

Zwaartekracht in de keel

c)

Chemische vertering in de mond

d)

Zuigkracht van de maag

32.

Welke uitspraak over maagreflux is juist?

a)

Maaginhoud stroomt terug naar boven

b)

Maagwand scheurt volledig open

c)

Maaginhoud kan niet met zuur mengen

d)

Maagzuur verdwijnt volledig uit maag

33.

Welke observatie past bij een proefbuis met zetmeel zonder speeksel na toevoeging van lugol?

a)

Kleur verandert naar paars-zwart

b)

Geen merkbare kleurverandering

c)

Oplossing wordt helderblauw

d)

Er vormt zich een neerslaglaag

34.

Waarom kan de maag met een betonmolen worden vergeleken?

a)

Maag kneedt en mengt inhoud

b)

Maag droogt en verhit inhoud

c)

Maag filtert en inhaleert lucht

d)

Maag zuigt en perst bloed

35.

Wat beschrijft het best een maagzweer?

a)

Wond in slijmvlies met ontsteking

b)

Spierkramp zonder schade

c)

Tijdelijke gasophoping

d)

Vergrote opening zonder pijn

36.

Welke keuze beschrijft het mechanisme dat een ‘tennisbal in een kous’ modelleert?

a)

Lokale knijpbeweging duwt bol naar beneden

b)

Zwaartekracht trekt bol vanzelf omlaag

c)

Ballon zuigt bol naar onderen

d)

Kous verwijdt passief overal tegelijk

37.

Welke bewering beschrijft het beste de functie van de slokdarm bij de spijsvertering?

a)

Transport door peristaltiek naar de maag

b)

Voedsel mengen met maagzuur en enzymen

c)

Eiwitten afbreken tot aminozuren

d)

Vetdruppels emulgeren tot micellen

38.

Wat is peristaltiek?

a)

Gecoördineerde knijpbeweging van de slokdarm

b)

Chemische afbraak door maagzuur

c)

Opslag van voedsel in de maag

d)

Terugstromen van maaginhoud naar de slokdarm

39.

Welke combinatie hoort bij de belangrijkste processen in de maag?

a)

Mechanisch kneden en zuur-eiwitvertering

b)

Opname van glucose en water

c)

Emulgeren van vetten met gal

d)

Volledige vertering van zetmeel

40.

Een leerling kauwt slecht en ervaart een zwaar gevoel in de maag. Wat is de meest waarschijnlijke verklaring?

a)

Onvoldoende verkleining bemoeilijkt maagvertering

b)

Overmaat speeksel versnelt zetmeelafbraak

c)

Galzouten bereiken de maag in hoge concentratie

d)

Maag produceert minder zuur bij veel kauwen

41.

Welke situatie vergroot het risico op reflux?

a)

Verminderde sluiting van de maagmond

b)

Verhoogde activiteit van speekselklieren

c)

Snellere peristaltiek in de slokdarm

d)

Langzamere lediging van de dunne darm

42.

Welke functie heeft de dunne darm naast verteren van voedingsstoffen?

a)

Opname van voedingsstoffen in het bloed

b)

Opslag van gal in de galblaas

c)

Afgifte van urine aan de nieren

d)

Productie van rode bloedcellen

43.

Wat is de belangrijkste rol van gal in de vetvertering?

a)

Emulgeren van vet in kleine druppels

b)

Afbreken van vet tot glycerol

c)

Neutraliseren van maagzuur volledig

d)

Opname van vet direct in het bloed

44.

Waar wordt gal geproduceerd en waar wordt het opgeslagen?

a)

Geproduceerd in lever, opgeslagen in galblaas

b)

Geproduceerd in maag, opgeslagen in lever

c)

Geproduceerd in alvleesklier, opgeslagen in darm

d)

Geproduceerd in galblaas, opgeslagen in lever

45.

Welke kleine voedingsstof kan door de wand van de dunne darm diffunderen na vertering van zetmeel?

a)

Glucosemoleculen uit koolhydraten

b)

Zetmeelketens uit granen

c)

Grote eiwitfragmenten polypeptiden

d)

Onverteerde vetdruppels micellen

46.

Welke uitspraak over darmflora is juist?

a)

Bestaat uit nuttige micro-organismen

b)

Zijn plantendelen in de darmen

c)

Vervangt alle verteringsenzymen

d)

Bestaat enkel uit ziektekiemen

47.

Welke observatie verwacht je in het water buiten een dialyseslang met zetmeel en glucose na 30 minuten?

a)

Test op glucose positief

b)

Lugol verkleurt diepblauw

c)

Geen suiker wordt gedetecteerd

d)

Zowel zetmeel als glucose aanwezig

48.

Welke bewering beschrijft absorptie in de dunne darm het best?

a)

Kleine moleculen passeren naar bloed

b)

Grote macromoleculen blijven passeren

c)

Alle vetten gaan direct in portader

d)

Alle nutriënten via actief transport

49.

Welk mechanisme verklaart diarree het best?

a)

Verminderde waterresorptie in de dikke darm

b)

Te sterke samentrekking van de galblaas

c)

Onvoldoende productie van speekselamylase

d)

Volledige afsluiting van de dunne darm

50.

Welke situatie past het meest bij constipatie?

a)

Te trage passage met extra waterresorptie

b)

Te snelle passage met weinig waterverlies

c)

Overmatige lactase-activiteit na yoghurt

d)

Acute ontsteking van de maagwand

51.

Wat is de appendix in het menselijk lichaam?

a)

Een aanhangsel bij het begin van de dikke darm

b)

Het distale uiteinde van de dunne darm

c)

De kringspier tussen maag en slokdarm

d)

Een klier die gal produceert

52.

Welk symptoom wijst het sterkst op acute appendicitis?

a)

Pijn die verschuift naar rechteronderbuik

b)

Brandend gevoel achter borstbeen

c)

Geleidelijk afnemende buikpijn overal

d)

Krampen die direct verdwijnen na toiletbezoek

53.

Welke voedingskeuze helpt klachten bij lactose-intolerantie te beperken?

a)

Lactosevrije melkproducten gebruiken

b)

Meer vezelarme witte pasta eten

c)

Extra pittige kruiden toevoegen

d)

Alle vetten volledig vermijden

54.

Welke combinatie is het meest correct?

a)

Diarree – snelle passage – risico op dehydratie

b)

Constipatie – snelle passage – meer water in feces

c)

Lactose-intolerantie – overmaat gal – vetdiarree

d)

Appendicitis – enzymtekort – gasvorming na melk

55.

Welke groep organismen heeft doorgaans knobbelkiezen voor het malen van uiteenlopende voedselbronnen?

a)

Herbivoren met platte snijtanden

b)

Carnivoren met scherpe hoektanden

c)

Omnivoren met knobbelkiezen

d)

Herbivoren met kegelvormige kiezen

e)

Carnivoren met knobbelmolaren

56.

Wat is een primaire reden dat vlees sneller verteert dan plantaardig materiaal?

a)

Vlees bevat meer water dan cellulose

b)

Vlees bevat veel eiwitten en weinig vezels

c)

Vlees heeft geen celmembranen of organellen

d)

Vlees wordt uitsluitend in de dikke darm verteerd

e)

Vlees bevat meer zetmeel dan plantencellen

57.

Welke uitspraak over cellulose is juist?

a)

Cellulose is snel afbreekbaar door maagzuur

b)

Cellulose is een voedingsvezel in plantencelwanden

c)

Cellulose vormt de kern van dierlijke cellen

d)

Cellulose lost op in dunne darmenzymen

e)

Cellulose is een dierlijk opslagkoolhydraat

58.

Waarom hebben veel herbivoren een langer darmkanaal dan carnivoren?

a)

Voor betere eiwitabsorptie uit vlees

b)

Voor snelle afbraak van vetten

c)

Voor langdurige fermentatie van cellulose

d)

Voor opslag van onverwerkte suikers

e)

Voor afkoeling van lichaamstemperatuur

59.

Welk gebitskenmerk past het best bij carnivoren?

a)

Brede maalvlakken met dikke glazuur

b)

Langgerekte snijtanden voor schrapen

c)

Scherpe knipkiezen voor scheuren

d)

Knobbelkiezen voor vermengen

e)

Kegelvormige kiezen voor pletten

60.

Een hond is een uitgesproken vleeseter. Welke conclusie volgt hieruit voor tafelrestjes?

a)

Alle restjes zijn geschikt en even voedzaam

b)

Plantaardige restjes zijn altijd aanbevolen

c)

Alle restjes met plantaardige stoffen vermijden

d)

Alleen suikerrijke restjes zijn toegestaan

e)

Alle restjes met zouten zijn noodzakelijk

61.

Wat is het directe gevolg van een plantencelwand voor de spijsvertering van omnivoren?

a)

Snellere opname van aminozuren

b)

Langzamere vertering door cellulose

c)

Volledige afbraak in de maag

d)

Geen invloed op de verteringstijd

e)

Snellere afbraak door pancreaslipase

62.

Welke bewering over de mens is het meest correct in biologische context?

a)

De mens is een obligate carnivoor

b)

De mens is een omnivoor met knobbelkiezen

c)

De mens is een obligate herbivoor

d)

De mens heeft knipkiezen voor scheuren

e)

De mens mist bacteriële fermentatie volledig

63.

Een dier met sterk vergrote blindedarm en complexe maagkamers eet waarschijnlijk vooral:

a)

Insecten met chitine-eiwit

b)

Vruchten met eenvoudig suiker

c)

Plantenmateriaal rijk aan cellulose

d)

Vlees met hoog vetgehalte

e)

Schelpdieren met calcium

64.

Welke voedingsstof is essentieel voor de opbouw van spieren?

a)

Eiwitten

b)

Vitamines

c)

Koolhydraten

d)

Vetten

65.

Wat is de functie van de lever in de spijsvertering?

a)

Opslag van glucose als glycogeen

b)

Productie van gal voor vetvertering

c)

Afbraak van eiwitten tot aminozuren

d)

Resorptie van voedingsstoffen in het bloed