Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenquiz module 3

Total questions: 66

Worksheet time: 50mins

Name
Class
Date
1.

Welke relatie bestaat er tussen vossen en konijnen in een ecosysteem zoals getoond in een prooi-jagergrafiek?

a)

Een voedselrelatie met vossen als jagers

b)

Een concurrentierelatie zonder predatie

c)

Een mutualistische relatie met voordeel

d)

Een parasitaire relatie met gastheer

2.

Wat gebeurt er meestal met het aantal jagers nadat het aantal prooien sterk is toegenomen?

a)

Het aantal jagers neemt na enige tijd toe

b)

Het aantal jagers blijft altijd gelijk

c)

Het aantal jagers daalt onmiddellijk

d)

Het aantal jagers verdwijnt voorgoed

3.

Welke term beschrijft het schommelende patroon waarbij aantallen organismen rond een evenwicht blijven?

a)

Dynamisch evenwicht in populaties

b)

Statisch evenwicht zonder verandering

c)

Exponentiële verstarring van aantallen

d)

Lineaire toename zonder limieten

4.

Hoe heet het evenwicht waarbij aantallen soorten in een ecosysteem rond grenzen blijven dankzij onderlinge relaties?

a)

Ecologisch evenwicht binnen ecosystemen

b)

Chemisch evenwicht tussen stoffen

c)

Mechanisch evenwicht van krachten

d)

Thermisch evenwicht van energie

5.

Welk gevolg heeft een toename van jagers op de prooipopulatie in een prooi-jagersysteem?

a)

De prooipopulatie daalt na enige tijd

b)

De prooipopulatie stijgt onmiddellijk

c)

De prooipopulatie blijft altijd gelijk

d)

De prooipopulatie verdwijnt direct

6.

Welke uitspraak over biologisch evenwicht in een organisme past bij het idee van grenzen en regeling?

a)

Systemen houden functies binnen grenzen

b)

Functies veranderen willekeurig zonder grenzen

c)

Evenwicht vereist geen interne regeling

d)

Organen werken los zonder onderlinge invloed

7.

In de getoonde grafiek piekt de prooipopulatie vóór de jagers. Welke redenering verklaart deze faseverschuiving het best?

a)

Meer prooi biedt meer voedsel, jagers reageren trager

b)

Jagers vermeerderen eerst, prooi volgt onmiddellijk

c)

Prooi en jagers pieken exact tegelijk altijd

d)

Pieken ontstaan willekeurig zonder oorzakelijk verband

8.

Wat is in een regelsysteem de juiste volgorde van stappen vanaf een verandering in de omgeving tot een reactie?

a)

prikkel → receptor → conductor → effector → reactie

b)

receptor → prikkel → effector → conductor → reactie

c)

prikkel → conductor → effector → receptor → reactie

d)

effector → prikkel → receptor → conductor → reactie

9.

Welke term past het best bij ‘een verandering in de omgeving die een reactie uitlokt’?

a)

prikkel

b)

effector

c)

conductor

d)

receptor

10.

Je ziet een gevaarlijke hond naderen. Welke structuur brengt de informatie van je ogen naar de uitvoerende organen?

a)

zenuwen

b)

spieren

c)

hormonen

d)

longen

11.

In een koude winterdag begin je te rillen. Leg uit welke onderdelen van het regelsysteem hierbij betrokken zijn en in welke volgorde ze werken.

a)

koude prikkel → receptoren in huid → zenuwen en hormonen → skeletspieren → rillen

b)

receptoren in huid → koude prikkel → skeletspieren → zenuwen → rillen

c)

koude prikkel → effectoren in huid → hormonen → receptoren → rillen

d)

skeletspieren → zenuwen → koude prikkel → receptoren → rillen

12.

Welke volgorde beschrijft correct de stappen van een regulatiesysteem?

a)

Prikkel → effector → receptor → reactie → conductor

b)

Prikkel → receptor → conductor → effector → reactie

c)

Receptor → prikkel → conductor → reactie → effector

d)

Receptor → effector → conductor → prikkel → reactie

13.

Wat is de functie van een receptor in het lichaam?

a)

Het zendt hormonen naar organen

b)

Het neemt prikkels waar en vangt ze op

c)

Het voert de reactie uit in spieren

d)

Het vervoert signalen tussen organen

14.

In het voorbeeld van de blaffende hond is adrenaline vooral een voorbeeld van een:

a)

Receptor in het oogweefsel

b)

Conductor in zenuwbanen

c)

Hormoon geproduceerd door de bijnier

d)

Effector in het hartspierweefsel

15.

Welke bewering past het best bij de rol van een conductor?

a)

Het leidt informatie van prikkel naar effector

b)

Het start de prikkel in de omgeving

c)

Het produceert adrenaline in de bijnier

d)

Het pompt het bloed sneller door het lichaam

16.

Je ziet een gevaarlijke hond en begint te rennen. Welke combinatie koppelt onderdeel aan voorbeeld?

a)

Prikkel – sneller hart pompen

b)

Effector – zien van de hond

c)

Receptor – zintuigen in het oog

d)

Reactie – boodschapperstof adrenaline

17.

Waarom is het nuttig dat zowel zenuwbanen als hormonen conductoren kunnen zijn?

a)

Ze laten organen onafhankelijk functioneren

b)

Ze zorgen voor meerdere routes om informatie te vervoeren

c)

Ze vervangen de noodzaak van receptoren volledig

d)

Ze voorkomen dat effectors tegelijk reageren

18.

Een leerling stelt: ‘Zonder effectors zou er geen reactie zijn, maar de prikkel en receptor zouden nog werken.’ Beoordeel deze uitspraak.

a)

Correct, want waarnemen kan zonder uitvoering

b)

Onjuist, want receptoren bestaan niet zonder effectors

c)

Onjuist, want prikkels ontstaan pas na de reactie

d)

Correct, want conductoren creëren de prikkel

19.

Welke volgorde beschrijft correct hoe een organisme reageert wanneer je de geur van een pas geopend zakje chips ruikt?

a)

Prikkel → receptor → conductor → effector → reactie

b)

Receptor → prikkel → effector → conductor → reactie

c)

Conductor → receptor → prikkel → reactie → effector

d)

Prikkel → conductor → receptor → reactie → effector

20.

Wat is in dit voorbeeld de ‘prikkel’?

a)

De plotse aanwezigheid van chipsgeur

b)

Het produceren van speeksel in je mond

c)

De prikkelgeleiding via zenuwbanen

d)

Het kauwen en slikken van de chips

21.

Welk onderdeel van het regelsysteem herkent de prikkel bij het ruiken van chips?

a)

Reukcellen in de neus als receptor

b)

Speekselklieren als effector

c)

Zenuwstelsel als conductor

d)

Hersenschors als effector

22.

Welke uitspraak over conductoren in een regelsysteem is het meest correct?

a)

Ze geleiden informatie tussen receptor en effector

b)

Ze maken verteringsstoffen aan in klieren

c)

Ze vormen de waarneembare verandering zelf

d)

Ze voeren de actie uit als antwoord

23.

Je ruikt versgebakken brood en krijgt water in de mond. Welke koppeling is het best onderbouwd?

a)

Prikkel: broodgeur; Effector: speekselklieren

b)

Prikkel: speeksel; Effector: reukcellen

c)

Prikkel: kauwbeweging; Effector: reukcellen

d)

Prikkel: hersensignaal; Effector: zenuwbanen

24.

Wat is het verschil tussen een receptor en een effector?

a)

De receptor ontvangt een prikkel, de effector reageert

b)

De receptor reageert op prikkels, de effector maakt prikkels

c)

De receptor maakt hormonen, de effector vangt prikkels

d)

De receptor is een spier, de effector is een zintuig

25.

Bij een 100 m sprint: welk onderdeel is de prikkel die het regelsysteem in gang zet?

a)

Het startschot van de starter

b)

De spieren in de benen

c)

Het zenuwstelsel van de atleet

d)

De reactie van het publiek

26.

Wat is bij de regenworm de effector die de beweging uitvoert?

a)

De spieren in het lichaam

b)

De fotoreceptoren in de huid

c)

Het spijsverteringsstelsel

d)

De bloedvaten in de huid

27.

Koppel: welk begrip hoort bij ‘Vangt prikkels op’?

a)

Receptor van een zintuig

b)

Effector zoals een spier

c)

Conductor zoals zenuwen

d)

Reactie zoals een beweging

28.

Koppel: welk begrip hoort bij ‘Maakt een reactie op een prikkel mogelijk’?

a)

Effector zoals een spier of klier

b)

Receptor in huid of oor

c)

Conductor in het ruggenmerg

d)

Reactie zoals weglopen

29.

Welke rol speelt het zenuwstelsel in elk regelsysteem?

a)

Het geleidt signalen tussen receptor en effector

b)

Het produceert prikkels in de omgeving

c)

Het slaat energie op in spieren

d)

Het blokkeert alle overdreven reacties

30.

Een baby zuigt aan de tepel. Welke component is hier de prikkel?

a)

Aanraking van de tepel door zuigen

b)

Afgifte van melk in de mond

c)

Contractie van melkklier-spieren

d)

Aanmaak van oxytocine en prolactine

31.

Welke reactie hoort bij het borstvoedingsregelsysteem?

a)

Aanmaak en uitstoot van moedermelk

b)

Verhogen van hartslag en ademhaling

c)

Slikken van lucht door de baby

d)

Productie van speeksel in de mond

32.

Wat beschrijft het begrip homeostase het best?

a)

Het constant houden van het inwendig milieu

b)

Het sneller laten groeien van weefsels bij kou

c)

Het afbreken van voedingsstoffen voor energie

d)

Het opslaan van water in cellen tijdens hitte

33.

Welke drie onderdelen komen in een regelsysteem terug, zowel technisch als biologisch?

a)

Receptor, controlecentrum, effector

b)

Hart, longen, spieren

c)

Zenuwen, botten, huid

d)

Sensor, accu, motor

34.

Wat is in een auto-airco de rol van de thermostaat?

a)

Meten van de huidige temperatuur in de wagen

b)

Produceren van koude lucht voor de passagiers

c)

Beslissen welke stoelverwarming aangaat

d)

Aandrijven van de ventilator met extra stroom

35.

Welke lichaamsreactie helpt vooral om warmte af te voeren bij te warm weer?

a)

Zweten en doorbloeding van de huid

b)

Kippenvel en rillen van de spieren

c)

Vasoconstrictie van de huid

d)

Verhoogde voedselopname

36.

In een proef zitten handen in warm en koud water. Welke waarneming is correct?

a)

Hand in warm water wordt roder, hand in koud water witter

b)

Beide handen worden tegelijk witter na opwarming

c)

Hand in koud water wordt roder door vaatverwijding

d)

Hand in warm water blijft exact dezelfde kleur

37.

Welke uitspraak vergelijkt een technisch en een biologisch regelsysteem correct?

a)

Beiden meten afwijkingen en sturen effectors aan

b)

Alleen technische systemen gebruiken een sensor

c)

Alleen biologische systemen hebben een setpoint

d)

Beiden werken zonder terugkoppeling of feedback

38.

Een leerling zegt: 'Rillen koel je af, want je beweegt.' Wat is het beste antwoord?

a)

Onjuist, rillen wekt warmte op door spieractiviteit

b)

Juist, rillen voert warmte af via zweet

c)

Onjuist, rillen stopt de bloedstroom naar spieren

d)

Juist, rillen verlaagt het setpoint in de hersenen

39.

Wat is het primaire doel van bibberen bij koude?

a)

Warmte opwekken door spieractiviteit

b)

Warmteverlies beperken via zweet

c)

Warmte afgeven via huidbloedvaten

d)

Warmte vasthouden door vetverbranding

40.

Welke reactie helpt vooral bij afkoelen wanneer je het warm hebt?

a)

Zweten met verdamping

b)

Rillen met spieren

c)

Kippenvel met haartjes

d)

Vasoconstrictie in huid

41.

Wat gebeurt er met de huidbloedvaten bij hoge omgevingstemperatuur om warmte kwijt te raken?

a)

Ze verwijden voor meer doorstroming

b)

Ze vernauwen voor minder doorstroming

c)

Ze sluiten volledig af

d)

Ze verplaatsen naar diepere lagen

42.

Kippenvel draagt bij aan temperatuurregeling doordat...

a)

Rechtopstaande haartjes isolatie geven

b)

Porieën meer zweet produceren

c)

Bloedvaten sneller gaan stromen

d)

De huid extra warmte uitstraalt

43.

Als je lichaamstemperatuur daalt, welke keten is het meest waarschijnlijk?

a)

Bibberen start, warmteproductie stijgt

b)

Zweten start, warmteverlies stijgt

c)

Vasodilatatie start, warmteafgifte stijgt

d)

Hartslag daalt, zweetproductie stijgt

44.

Welk besluit past het best bij thermoregulatie rond 37 °C?

a)

Het lichaam stuurt reacties om temperatuur te stabiliseren

b)

Het lichaam laat temperatuur vrij variëren met omgeving

c)

Alleen zweetklieren regelen de kerntemperatuur

d)

Bloedvaten reageren pas bij extreme hitte

45.

Welk huiddeel detecteert een daling van de temperatuur?

a)

Warmtereceptor in de huid

b)

Koudereceptor in de huid

c)

Druklichaampje in de huid

d)

Tastlichaampje in de huid

46.

Welke verandering in bloedvaten helpt het lichaam af te koelen bij warmte?

a)

Vernauwen van de bloedvaten

b)

Verwijden van de bloedvaten

c)

Verwijden van de bloedvaten

d)

Verstijven van de bloedvaten

47.

Wat gebeurt er met de haartjes bij koude om warmteverlies te beperken?

a)

Ze liggen plat door ontspanning

b)

Ze vallen uit door afkoeling

c)

Ze staan recht door samentrekking

d)

Ze krullen door talgproductie

48.

Welke spier zorgt ervoor dat een haartje recht kan gaan staan?

a)

Spiertje in bloedvatwand

b)

Haartje zelf zonder spier

c)

Haartspiertje naast het haar

d)

Spier van de zweetklier

49.

Welke uitspraak past bij kippenvel in een koude omgeving?

a)

Zweetklier produceert extra zweet

b)

Haartspiertje trekt zich samen

c)

Warmtereceptoren zijn actief

d)

Bloedvaten verwijden sterk

50.

Welke receptor hoort bij prikkel ‘koude’ in de huid?

a)

Warmtereceptor in de lederhuid

b)

Koudereceptor in de huid

c)

Drukreceptor in de opperhuid

d)

Tastreceptor in de epidermis

51.

Welk onderdeel vervult in het technische systeem dezelfde rol als het zenuwstelsel in het biologische systeem?

a)

controlecentrum dat signalen verwerkt

b)

zweetklier die warmte afgeeft

c)

thermostaat die waarneemt

d)

airco die koelt

52.

Welke uitspraak beschrijft het best ‘homeostase’?

a)

Behoud van dynamisch evenwicht binnen grenzen

b)

Constante, onveranderlijke waarden altijd

c)

Tijdelijke uitschakeling van prikkels overal

d)

Snelle reactie zonder terugkoppeling steeds

53.

Welke structuur op het blad regelt de verdamping van water bij planten?

a)

Huidmondjes met sluitcellen

b)

Bladnerven met xyleem

c)

Wortelharen met cuticula

d)

Bloemblaadjes met pigmenten

e)

Schorscellen met kurklaag

54.

Wat gebeurt er meestal met de huidmondjes in een droge omgeving?

a)

Ze sluiten om water te sparen

b)

Ze openen voor meer opname

c)

Ze groeien voor extra koeling

d)

Ze verdikken door osmoses

e)

Ze verdwijnen tijdelijk volledig

55.

Welke directe verandering in de sluitcellen zorgt voor het sluiten van een huidmondje?

a)

Daling van de vloeistofdruk

b)

Stijging van het zetmeelgehalte

c)

Toename van bladtemperatuur

d)

Afnemen van lichtintensiteit

e)

Verhoogde mineralenopname

56.

Wat is het nut van het sluiten van de huidmondjes bij droogte?

a)

Verminderen van waterverdamping

b)

Versnellen van fotosynthese

c)

Verhogen van zuurstofafgifte

d)

Bevorderen van nectarproductie

e)

Stimuleren van zaadverspreiding

57.

Welke prikkel activeert vooral het regelsysteem rond huidmondjes?

a)

Wijziging van luchtvochtigheid

b)

Verandering in bladkleur

c)

Toename van bodemzouten

d)

Daling van zwaartekracht

e)

Aanwezigheid van insecten

58.

In een vochtige omgeving zullen huidmondjes meestal...

a)

Openen waardoor verdamping kan

b)

Sluiten waardoor opname stopt

c)

Verkleinen door minder turgor

d)

Verdwijnen onder de cuticula

e)

Verharden door kurkvorming

59.

Welke signaalstoffen verspreiden informatie binnen de plant om het openen of sluiten te regelen?

a)

Plantenhormonen in weefsels

b)

Zuren in de cuticula

c)

Zouten in het xyleem

d)

Pigmenten in chloroplasten

e)

Gasvormige suikers

60.

Een leerling drogen twee dekweefselstukjes: één nat, één gedroogd. Wat verwacht je onder de microscoop bij het gedroogde preparaat?

a)

Huidmondjes overwegend gesloten

b)

Huidmondjes breed geopend

c)

Geen huidmondjes aanwezig

d)

Sluitcellen met hogere turgor

e)

Wandstructuren sterk vervormd

61.

Waarom stijgen de overlevingskansen van een plant met een goed werkend regelsysteem voor water?

a)

Het vochtgehalte blijft binnen grenzen

b)

Het bladweefsel verandert continu

c)

De wortels stoppen tijdelijk groei

d)

Het xyleem transporteert minder sap

e)

De cuticula wordt volledig verwijderd

62.

Wat is het doel van homeostase in organismen?

a)

Een dynamisch evenwicht in het lichaam behouden

b)

Alle variabelen volledig constant houden

c)

Snellere groei van alle weefsels stimuleren

d)

Het metabolisme bij alle omstandigheden verlagen

63.

Welk onderdeel werkt als effector in een regelsysteem tijdens fietsen om snelheid te verlagen?

a)

De beenspieren die minder kracht leveren

b)

De hersenen die de informatie verwerken

c)

De ogen die de kilometerteller zien

d)

De huid die temperatuur voelt

64.

Welke twee stelsels voeren samen de taak van regelsystemen uit?

a)

Zenuwstelsel en hormonaal stelsel

b)

Spijsverteringsstelsel en skeletstelsel

c)

Uitscheidingsstelsel en ademhalingsstelsel

d)

Immuunstelsel en voortplantingsstelsel

65.

Wat is de rol van een receptor in een regelsysteem?

a)

Verandering detecteren in een variabele

b)

Respons uitvoeren op een orgaan

c)

Beslissing nemen in de hersenen

d)

Hormonen afbreken in de lever

66.

Welke component fungeert meestal als ‘conductor’ in regelsystemen bij mensen?

a)

Het centrale zenuwstelsel

b)

De skeletspieren

c)

De alvleesklier

d)

De bijniermerg