wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1 HV Thema 2 organen en cellen

Total questions: 34

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.
welke orgaan wordt aan gegeven met nr. 1
a)
slokdarm
b)
keel
c)
luchtpijp
d)
strot
2.
Welk orgaan wordt aangegeven met nr. 5 
a)
lever
b)
dikke darm
c)
maag
d)
alvleesklier
3.
Welk organenstelsel is hier afgebeeld?
a)
bloedvatenstelsel
b)
zenuwstelsel
c)
spierenstelsel
d)
verteringsstelsel 
4.

De lever hoort bij het .......

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Verteringsstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Zenuwstelsel

5.

Een groep organen die samen een bepaalde functie hebben is een ......

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Organenstelsel

e)

Organisme

6.
Vervoert zuurstof en voedingsstoffen naar de organen.
a)
ademhalingsstelsel
b)
bloedvatenstelsel
c)
spierstelsel
d)
zenuwstelsel
7.

In de afbeelding zie je een deel van een plant. Met welk nummer is een zijwortel aangegeven?

a)

Nummer 1

b)

Nummer 2

c)

Nummer 3

d)

Nummer 4

8.

Welk van onderstaande beschrijvingen is géén functie van de wortel van een plant?

a)

Vast zetten van plant in de bodem

b)

Opnemen van koolstofdioxide in de lucht

c)

Opslaan van reservevoedsel

d)

Opnemen van water in de grond

9.

Hoe heet onderdeel 3 in de afbeelding

a)

Bladmoes

b)

Bladrand

c)

Bladnerf

10.

Tine zegt: Een plant slaat reservevoedsel op in de wortel. Daarmee kan de plant de winter doorkomen.

Rudy zegt: De plant neemt water en voedingsstoffen op en vervoert ze naar de bladeren. De stoffen worden vervoerd door vaatbundels.

Wie heeft er gelijk?

a)

Beide ongelijk

b)

Tine

c)

Rudy

d)

Beide gelijk

11.

Welk orgaan heeft deze taak:

Voor transport van stoffen en rechtop houden (stevigheid) van de plant.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

12.

Welk orgaan heeft deze taak:

Hier maakt een plant voedingsstoffen, dat is fotosynthese.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

13.
Welke plant verkrijgt stevigheid door water?
a)
Kruidachtige plant
b)
Houtachtige plant
14.

Hierboven zie je een blad. Wat is de naam van onderdeel 5?

a)

zijnerf

b)

hoofdnerf

c)

bladmoes

d)

bladschijf

15.
Wat is een weefsel?
a)
een groep cellen met dezelfde vorm en functie
b)
cellen die delen
c)
een groep cellen met een verschillende vorm
16.
Cellen kunnen verschillende vormen hebben.
a)
Juist
b)
Onjuist
17.

In een weefsel ligt tussen de cellen ...

a)

tussencelstof

b)

celorganellen

c)

huidmondjes

d)

cambium

18.

Op de afbeelding is een doorsnede van een blad weergegeven. De bovenkant en de onderkant van het blad bestaan uit één laag cellen. Hoe heet dit weefsel?

(a)  

19.

Een huidmondje bestaat uit twee langwerpige cellen met daartussen een kleine opening. Wat is de juiste functie van een huidmondje?

a)

Nemen koolstofdioxide op en geven zuurstof aan de lucht af.

b)

Nemen zuurstof op en geven koolstofdioxide aan de lucht af.

c)

Nemen koolstofdioxide en water op en geven zuurstof aan de lucht af.

d)

Nemen zuurstof en water op en geven koolstofdioxide aan de lucht af.

20.

Bij een onderzoek van het darmslijmvlies van een patiënt worden behalve slijmvliescellen ook cellen van onverteerde plantenresten aangetroffen.

Enkele delen in en om een cel kunnen zijn: celkern, celmembraan en celwand.

Welk van deze delen heeft een plantencel wel, maar een cel uit het darmslijmvlies niet?

a)

een celkern

b)

een celmembraan

c)

een celwand

21.

Waar in een plantencel bevinden zich de bladgroenkorrels?

a)

Celmembraan

b)

Celkern

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

22.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

23.

Waar in een plantencel vind fotosynthese plaats?

a)

Celkern

b)

Cytoplasma

c)

Bladgroenkorrels

d)

Celwand

24.

Welk onderdeel van de cel regelt wat er in de cel gebeurd?

a)

Celkern

b)

Kernmembraan

c)

Cytoplasma

d)

Bladgroenkorrels

25.

de cellen waaruit je lichaam is opgebouwd

a)

lichaamscellen

b)

stamcellen

c)

rode bloedcellen

d)

plasmacellen

26.

lange dunne draden die opgeslagen liggen in de celkern

a)

nerven

b)

chromosomen

c)

lichaamscellen

27.

waaruit bestaan chromosomen

a)

ADN

b)

DNA

c)

DAN

d)

NAD

28.

A en T, C en G zijn een paar dus dat noemen we een

a)

paar

b)

basen

c)

basenpaar

29.

eigenschappen die je van je ouders krijgt

a)

gedragseigenschappen

b)

erfelijke eigenschappen

c)

uiterlijke kenmerken

30.

de manier waarop cellen zich vermenigvuldigen

a)

celgroei

b)

celdeling

c)

celopbouw

d)

celmodel

31.

de cel voordat deze gaat delen heet

a)

plantencel

b)

dochtercel

c)

moedercel

d)

dierlijke cel

32.

cellen die zich oneindig vaak kunnen delen

a)

plantaardige cel

b)

stamcellen

c)

stampers

d)

dierlijke cel

33.

hoe heet de stamcel waaruit heel veel verschillende typen cellen uit kunnen ontstaan

a)

celkern stamcel

b)

lichamelijke stamcel

c)

embryonale stamcel

34.

de twee cellen na het delen van de moedercel

a)

dochtercellen

b)

celkern

c)

celplasma

d)

celletje