wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Interacties — Mens en Samenleving (2024–2025)

Total questions: 145

Worksheet time: 1hrs 13mins

Name
Class
Date
1.

Lees beide documenten. Document 1 is een VRT NWS-bericht met resultaten uit een 4-jaarlijkse internationale studie waaraan 20.000 Vlaamse jongeren (11–18 jaar) deelnamen; Document 2 is een Radio 1-citaat waarin luisteraar Rudi De Kerpel vindt dat jongeren vandaag verwend en overbeschermd zijn. Welk document komt het meest betrouwbaar over?

a)

Document 1: nieuwsbericht met onderzoeksresultaten en cijfers

b)

Document 2: radiocitaat met een persoonlijke mening over jongeren

c)

Beide documenten zijn even betrouwbaar

d)

Geen van beide documenten komt betrouwbaar over

2.

Verantwoord jouw gemaakte keuze uit de vorige vraag. Wat is de beste reden?

a)

Het bericht baseert zich op onderzoek en controleerbare cijfers; het is objectief

b)

Het citaat gebruikt sterke taal en noemt leraren als schuldigen

c)

Het klinkt overtuigend omdat een volwassene het op de radio zegt

d)

Er staan geen bronnen in document 1

3.

Leg in je eigen woorden uit waarom je het andere document minder betrouwbaar vindt. Welke verklaring past het best?

a)

Het is een persoonlijke mening van een luisteraar en bevat geen onderzoek

b)

Het bevat exacte cijfers uit een grootschalige studie

c)

Het is door wetenschappers geschreven en geverifieerd

d)

Het beschrijft meetbare indicatoren met onderzoeksmethoden

4.

Combineer nu de begrippen met de juiste omschrijving en het overeenkomstige document. Welke omschrijving hoort bij een feit?

a)

Kan je controleren of bewijzen; is echt gebeurd; kan je niet veranderen

b)

Is heel persoonlijk; verschilt van persoon tot persoon; manier waarop je over iets/iemand denkt

c)

Subjectief: kan je niet controleren aan de hand van onderzoek

5.

Welke omschrijving hoort bij een mening?

a)

Is heel persoonlijk; verschilt van persoon tot persoon; manier waarop je over iets/iemand denkt

b)

Kan je controleren of bewijzen; is echt gebeurd; kan je niet veranderen

c)

Objectief: je houdt je aan wat bewezen of onderzocht is

6.

Welk document past bij objectief: je houdt je aan wat bewezen of onderzocht is?

a)

Document 1

b)

Document 2

7.

Welk document past bij subjectief: kan je niet controleren aan de hand van onderzoek?

a)

Document 1

b)

Document 2

8.

Uit de nieuwsbrieven voor het eerste jaar haalden we de volgende fragmenten. Kies alle zinnen die een feit weergeven.

a)

Voor het vak natuurwetenschappen bezoeken we het dierenpark Pairi Daiza

b)

Het park neemt deel aan 8989 kweekprogramma's

c)

We genieten er van de verscheidenheid aan fauna en flora

d)

De foto toont voor mij een school die er goesting in heeft

9.

Kies alle zinnen die een mening weergeven in het nieuwsbriefmateriaal.

a)

We genieten er van de verscheidenheid aan fauna en flora

b)

De foto toont voor mij een school die er goesting in heeft

c)

De leerlingen krijgen een foto-opdracht opgesteld door de leerkrachten

d)

Deze opdracht wordt individueel verwerkt tot een diavoorstelling en op Smartschool geplaatst

10.

Lees de zin: "Marie denkt dat Louis boos is omdat hij niet gereageerd heeft op haar Whatsapp-berichtje." Welke deel van de zin drukt het standpunt uit?

a)

dat Louis boos is

b)

omdat hij niet gereageerd heeft

c)

op haar Whatsapp-berichtje

d)

Marie

11.

Lees de zin: "Marie denkt dat Louis boos is omdat hij niet gereageerd heeft op haar Whatsapp-berichtje." Welke deel van de zin geeft het argument?

a)

omdat hij niet gereageerd heeft op haar Whatsapp-berichtje

b)

Marie denkt

c)

dat Louis boos is

d)

Louis

12.

Onder welke woordgroep wordt het standpunt in de zin ingeleid?

a)

Marie denkt dat

b)

omdat

c)

boos is

d)

op haar Whatsapp-berichtje

13.

Welk woord leidt het argument in de zin in?

a)

omdat

b)

denkt

c)

is

d)

berichtje

14.

Lees het onderstaande artikel over Australië dat een minimumleeftijd voor sociale netwerken wil invoeren. Welke maatregel staat centraal in het artikel?

a)

Een minimumleeftijd van 14 à 16 jaar voor sociale media

b)

Een volledig verbod op smartphones op school

c)

Verplichte schermtijdlimieten voor alle volwassenen

d)

Gratis internet voor alle jongeren

15.

Lees het artikel. Welke sociale mediaplatformen worden expliciet genoemd als voorbeelden waarop de minimumleeftijd zou gelden?

a)

Facebook, Instagram en TikTok

b)

Snapchat, YouTube en Reddit

c)

LinkedIn, Pinterest en Tumblr

d)

WhatsApp, Telegram en Signal

16.

Volgens het artikel noemt premier Albanese sociale mediawebsites voor jongeren…

a)

"een plaag"

b)

"een kans"

c)

"een plicht"

d)

"een luxe"

17.

Wat zegt premier Albanese dat hij jongeren wil zien doen in plaats van naar hun schermen te kijken, volgens het artikel?

a)

Op voetbalvelden, in zwembaden en op tennisvelden actief zijn

b)

Meer huiswerk maken na schooltijd

c)

Extra schermtijd krijgen voor educatie

d)

Vrijwilligerswerk doen in lokale bibliotheken

18.

Volgens het artikel wordt de federale wet die de minimumleeftijd vastlegt verwacht in werking te treden in…

a)

2024

b)

2022

c)

2026

d)

2020

19.

Wat is volgens het artikel de persoonlijke voorkeursminimumleeftijd van premier Albanese?

a)

12 jaar

b)

14 jaar

c)

16 jaar

d)

18 jaar

20.

Welke reden wordt in het artikel genoemd als onderdeel van het onderzoek naar de effecten van sociale media?

a)

De invloed op de mentale gezondheid van tieners

b)

Verbetering van economische groei door technologiebedrijven

c)

Toename van privacy voor grote platformen

d)

Het internationale imago van Australië

21.

Wat vermeldt het artikel over eerdere pogingen om een leeftijdsbeperking voor sociale media in te voeren?

a)

Ze mislukten na klachten over beperking van online rechten van minderjarigen

b)

Ze waren succesvol en wereldwijd ingevoerd

c)

Ze werden uitgesteld tot 2030

d)

Ze betroffen alleen betaalde sociale mediaplatformen

22.

Onder de drie meningsteksten onderaan de pagina: welke mening benadrukt dat jongeren zelf een vrije keuze moeten hebben en pleit voor meer uitleg over verstandig gebruik in plaats van een verbod?

a)

Mening die zegt dat jongeren zelf een vrije keuze moeten hebben en meer uitleg nodig is

b)

Mening die zegt dat sociale media nuttig kunnen zijn om met vrienden te praten en dat sommige kinderen verantwoord omgaan

c)

Mening die zegt dat langdurig telefoongebruik ongezond is en dat een leeftijdsgrens meer buitenspelen stimuleert

23.

Welke mening stelt dat sociale media ook nuttig kunnen zijn om met vrienden te praten en dingen te leren, en dat sommige kinderen al op jonge leeftijd verantwoordelijk kunnen omgaan met sociale media?

a)

Mening die pleit voor vrije keuze met meer uitleg i.p.v. een verbod

b)

Mening die sociale media nuttig vindt en verantwoordelijkheid bij sommige kinderen benadrukt

c)

Mening die waarschuwt voor ongezond langdurig telefoongebruik en pleit voor meer buitenspelen

24.

Welke mening zegt dat jongeren vaak urenlang op hun telefoon zitten, dat dit niet altijd gezond is, en dat een leeftijdsgrens kinderen meer laat buitenspelen en afspreken met vrienden?

a)

Mening die vrije keuze voor jongeren en educatie over verstandig gebruik voorstelt

b)

Mening die nut van sociale media en verantwoord gebruik door sommige kinderen benadrukt

c)

Mening die een leeftijdsgrens steunt om gezondheid te beschermen en buitenspelen te bevorderen

25.

Volgens de instructie bij de uitspraak "Onze school heeft beslist om de verkenningsdag voor het eerste jaar eind augustus af te schaffen." welke onderdelen moeten in je geformuleerde mening aanwezig zijn? Denk aan het weergeven van je standpunt en het formuleren van een onderbouwd argument. Gebruik het kader op p. 4.

a)

Je standpunt over de uitspraak

b)

Een onderbouwd argument dat je standpunt ondersteunt

c)

Een samenvatting van het volledige schoolreglement

d)

Een lijst met bronnen zonder uitleg

26.

Aan de hand van de korte inhoud van het boek 'De ruïnes van Gorlan' (over Will, de mysterieuze Grijze Jager en de krijgschool van kasteel Redmont), duid aan of het verhaal verzonnen is of niet verzonnen.

a)

verzonnen

b)

niet verzonnen

27.

Aan de hand van de korte inhoud van het boek 'De ruïnes van Gorlan', duid aan of het zich afspeelt in de fantasiewereld of in de realiteit.

a)

fantasiewereld

b)

realiteit

28.

Aan de hand van de korte inhoud van het boek 'De ruïnes van Gorlan', duid aan of het boek fictie of non-fictie is.

a)

fictie

b)

non-fictie

29.

Aan de hand van de korte inhoud van het boek 'Oei, ik groei!' (een boek over de 10 sprongen in de mentale ontwikkeling van baby’s, met inzichten over slaap en sprongen), duid aan of het verhaal verzonnen is of niet verzonnen.

a)

verzonnen

b)

niet verzonnen

30.

Aan de hand van de korte inhoud van het boek 'Oei, ik groei!', duid aan of het zich afspeelt in de fantasiewereld of in de realiteit.

a)

fantasiewereld

b)

realiteit

31.

Aan de hand van de korte inhoud van het boek 'Oei, ik groei!', duid aan of het boek fictie of non-fictie is.

a)

fictie

b)

non-fictie

32.

In de centrale mindmap over nepnieuws staat: "_____ = _____ = _____ berichten". Welke term past het best op de derde lege plaats om de woordgroep compleet te maken?

a)

verzonnen

b)

wetenschappelijke

c)

officiële overheids

d)

gesponsorde

33.

Welke term is een synoniem voor nepnieuws zoals aangeduid in de mindmap?

a)

fakenews

b)

satire

c)

politieke propaganda

d)

persbericht

34.

Volgens de toelichting bij ‘satire’ in de mindmap: wat doet satire?

a)

Op humoristische wijze kritiek uiten op maatschappij of mens

b)

Neutraal en feitelijk verslag geven van gebeurtenissen

c)

De publieke opinie manipuleren met slogans

d)

Een juridisch oordeel formuleren over nieuws

35.

Volgens de toelichting bij ‘politieke propaganda’ in de mindmap: wat is het doel van politieke propaganda?

a)

De publieke opinie beïnvloeden/manipuleren

b)

Humoristische kritiek geven op misstanden

c)

Wetenschappelijke feiten controleren via peer review

d)

Louter neutrale achtergrondinformatie bieden

36.

Waarom wordt nepnieuws verspreid? Kies de optie die het best past bij "_____ zaaien" in het vak ‘Waarom?’

a)

verwarring

b)

medeleven

c)

kennis

d)

stilte

37.

Vul aan uit het vak ‘Waarom?’: mensen _____. Wat is de meest passende aanvulling?

a)

misleiden

b)

inspireren

c)

genezen

d)

opleiden

38.

Vul aan uit het vak ‘Waarom?’: bv. voor _____ doeleinden.

a)

politieke

b)

ecologische

c)

sportieve

d)

artistieke

39.

Wat is een gevolg van nepnieuws volgens het vak ‘Gevolgen?’: mensen _____.

a)

worden misleid

b)

krijgen gratis onderwijs

c)

winnen vanzelf verkiezingen

d)

vinden sneller betrouwbare bronnen

40.

Vul aan uit het vak ‘Gevolgen?’: er kan _____.

a)

paniek ontstaan

b)

regen vallen

c)

het verkeer vanzelf oplossen

d)

prijzen automatisch dalen

41.

Kies een passend voorbeeld bij het vak ‘Gevolgen?’: bv. _____.

a)

reputatieschade

b)

gratis reclame

c)

snellere pakketbezorging

d)

hogere sportprestaties

42.

Hoe herken je nepnieuws? Welke controles zijn zinvol volgens het vak ‘Hoe herkennen?’ (meerdere antwoorden mogelijk).

a)

Controleer de bron en betrouwbaarheid van de website

b)

Bekijk datum en context in plaats van enkel de titel

c)

Zoek of er een auteur en/of organisatie vermeld staat

d)

Vergelijk het bericht met andere, onafhankelijke bronnen

e)

Negeer bronnen en ga af op je gevoel

43.

Welke handeling hoort bij de tip "_____ : google reverse image search" in het vak ‘Hoe herkennen?’?

a)

Afbeeldingen controleren

b)

Plagiaat in teksten detecteren

c)

Spraakanalyse uitvoeren

d)

Programmacode compileren

44.

Bekijk een kort filmpje over maatregelen tegen fakenews. Welke maatregel wordt al gebruikt om desinformatie te bestrijden? Kies alle juiste antwoorden.

a)

Factchecks door nieuwsredacties en onafhankelijke organisaties

b)

Aanpassingen aan sociale‑media‑algoritmes om misleidende posts minder zichtbaar te maken

c)

Mediawijsheid‑onderwijs en campagnes die gebruikers leren informatie te beoordelen

d)

Verificatie‑badges of labels die betrouwbare bronnen herkenbaar maken

45.

Het werkblad legt uit dat het algoritme achter sociale media patronen herkent, informatie verzamelt en op basis daarvan een tijdlijn opstelt die voorspelt wat jij leuk vindt. Hoe kan dit algoritme toegepast worden op desinformatie?

a)

Door patronen in interacties te herkennen en te voorspellen welke misleidende inhoud je waarschijnlijk te zien krijgt, zodat die minder wordt aanbevolen

b)

Door zelf artikelen te schrijven die onjuiste informatie corrigeren

c)

Door alle berichten automatisch te verbieden zonder te kijken naar hun inhoud

d)

Door willekeurig berichten te tonen, zodat niemand lang dezelfde bron volgt

46.

Wie speelt volgens het werkblad een grote rol in het verspreiden van desinformatie? Noem het belangrijkste kanaal.

a)

Sociale‑media‑platformen en hun gebruikers

b)

Peer‑reviewde wetenschappelijke tijdschriften

c)

Publieke bibliotheken

d)

Nationale statistiekbureaus

47.

Wie zou de verantwoordelijkheid moeten nemen in de bestrijding van valse informatie? Kies alle juiste antwoorden.

a)

Technologiebedrijven die platforms beheren

b)

Nieuwsorganisaties en factcheckers

c)

Overheid en regulatoren

d)

Individuele gebruikers

48.

Welk tegenargument kan worden opgeworpen tegen strenge maatregelen om desinformatie te bestrijden?

a)

Ze verhogen transparantie zonder nadelen

b)

Ze garanderen dat alle informatie objectief waar is

c)

Ze voorkomen definitief alle fakenews

d)

Ze kunnen leiden tot censuur, filterbubbels en beperking van vrije meningsuiting

49.

Lees het artikel over de valse AI-foto op Twitter. Welke signalen uit de tekst laten vermoeden dat het om nepnieuws ging? Kies alle juiste opties.

a)

De foto oogt niet overtuigend en het afgebeelde gebouw lijkt niet op het Pentagon.

b)

Accounts met een blauw vinkje zijn niet per se geverifieerd sinds het vinkje tegen betaling beschikbaar is.

c)

Een bronaccount (CBKNews121) wordt gelinkt aan complottheorieën en RT nam het bericht over.

d)

De scherpe dip van de S&P 500 bewijst dat het bericht waar was.

50.

Lees het artikel over de valse AI-foto op Twitter. Wat was, naast het verkeerd informeren van mensen, een genoemd gevolg van het verspreiden van dit fakenews?

a)

Een korte, scherpe dip in de beursindex S&P 500.

b)

Een onmiddellijke evacuatie van het Pentagon.

c)

Een wereldwijde stillegging van Twitter.

d)

Een stijging van de olieprijzen op de wereldmarkt.

51.

Na de eerste klasopdracht waarbij groepen zich zo snel mogelijk volgens geboortedatum moesten opstellen te beginnen bij januari: hoe verliep de opdracht? Kies de beste beschrijving van het groepsproces.

a)

Het verliep vlot dankzij spontaan overleg en duidelijke afspraken

b)

Het liep chaotisch doordat er weinig structuur en rolverdeling was

c)

Het stokte even, maar zonder grote problemen of verwarring

d)

Het mislukte volledig omdat niemand meewerkte

52.

Tijdens de nabespreking van de eerste opdracht: wat waren de belangrijkste moeilijkheden?

a)

Onvoldoende communicatie en onduidelijke rollen

b)

Te weinig tijd om iedereen op volgorde te zetten

c)

Gebrek aan materiaal of ruimte

d)

Onwil van klasgenoten om deel te nemen

53.

Tijdens de nabespreking van de eerste opdracht: hoe kwam het dat er moeilijkheden waren?

a)

Er waren geen concrete stappen of afspraken om de volgorde te bepalen

b)

De opdracht was te complex om te begrijpen

c)

De observator gaf te veel aanwijzingen

d)

De klas had te weinig leerlingen

54.

Tijdens de nabespreking van de eerste opdracht: wat kan er gedaan worden om de moeilijkheden sneller van de baan te helpen?

a)

Vooraf duidelijke rollen en communicatie afspreken

b)

De opdracht helemaal schrappen

c)

Alleen de observator laten werken

d)

De groep in stilte laten werken zonder overleg

55.

Na de tweede klasopdracht waarbij groepjes van 4 à 5 leerlingen een kaartspel van 52 kaarten per soort snel moesten ordenen en van klein naar groot (de aas komt na de heer): hoe verliep de opdracht nu?

a)

Ze verliep merkbaar vlotter door de duidelijke structuur

b)

Ze verliep gelijk aan de eerste opdracht zonder verandering

c)

Ze verliep trager omdat er te veel regels waren

d)

Ze mislukte omdat niemand de kaarten kon herkennen

56.

In de nabespreking van de tweede opdracht: hebben jullie nog steeds moeilijkheden ervaren?

a)

Ja, evenveel als bij de eerste opdracht

b)

Ja, maar minder en vooral bij de coördinatie

c)

Nee, helemaal geen enkele moeilijkheid

d)

Nee, omdat de observator het werk overnam

57.

In de nabespreking van de tweede opdracht: wat hebben jullie anders gedaan?

a)

Expliciet rollen verdeeld en een duidelijke werkwijze afgesproken

b)

Iedereen tegelijk laten werken zonder afspraken

c)

Wachten op instructies van de observator

d)

Toevallig aan de slag gegaan zonder plan

58.

In de nabespreking van de tweede opdracht: voelden jullie je meer betrokken? Waarom wel of waarom niet? Kies de beste verklaring.

a)

Ja, omdat taken en rollen duidelijk waren en iedereen wist wat te doen

b)

Ja, omdat de observator alle beslissingen nam

c)

Nee, omdat niemand informatie kreeg over de opdracht

d)

Nee, omdat regels betrokkenheid altijd verlagen

59.

Je hebt net 2 opdrachten uitgevoerd. Volgens de instructie bij de Blobtree: welke stappen moet je uitvoeren?

a)

Kies de figuur in de Blobtree waarin jij je terugvindt

b)

Licht toe waarom je die figuur koos

c)

Duid maximaal twee figuren aan indien nodig

d)

Teken een nieuwe figuur bij in de boom

e)

Tel het totaal aantal figuren in de boom

60.

Lees de casus: Op de derde dag van het jaarlijkse scoutskamp kregen de tieners de opdracht een brug te bouwen met materiaal uit het bos. Lucas deelde snel de taken uit. Sophie was het niet eens met zijn aanpak en werkte aan haar eigen plan, wat voor spanning zorgde. Tim stond erbij, wilde helpen, maar durfde niet in te grijpen. Het werk liep vast en de brug vorderde nauwelijks. Toen de zon onderging, greep de leiding in en hielp de groep om samen te werken en een compromis te vinden. Welke sociale rol past het best bij Lucas in deze situatie?

a)

Leider die taken verdeelt

b)

Volger die aanwijzingen afwacht

c)

Toeschouwer die zich afzijdig houdt

d)

Tegenwerker die het plan tegenwerkt

61.

In dezelfde casus werkte Sophie aan haar eigen plan en was ze het niet eens met de aanpak van Lucas, wat voor spanning zorgde. Welke sociale rol past het best bij Sophie?

a)

Constructieve tegenstem (challenger)

b)

Passieve volger

c)

Neutrale waarnemer

d)

Taakgerichte leider

62.

Tim stond erbij, wilde helpen, maar durfde niet in te grijpen. Welke sociale rol omschrijft Tim het best in de casus?

a)

Actieve leider

b)

Afwachtende toeschouwer

c)

Dominante tegenwerker

d)

Taakcoördinator

63.

Wat was het directe gevolg van de spanning in de groep volgens de casus?

a)

De brug vorderde nauwelijks

b)

Het werk ging sneller vooruit

c)

Iedereen werkte harmonieus samen

d)

De leiding hoefde niet in te grijpen

64.

Wat deed de leiding aan het einde van de casus?

a)

Greep in en stimuleerde samenwerking en compromis

b)

Liet de groep zelfstandig doorgaan zonder hulp

c)

Kiesde partij voor Sophie en haar plan

d)

Schortte de opdracht voor onbepaalde tijd op

65.

Waaruit kan het compromis volgens de casus het meest waarschijnlijk bestaan?

a)

Gezamenlijke aanpak met duidelijke taakverdeling en afspraken

b)

Iedereen volgt ongewijzigd het plan van Lucas

c)

Iedereen werkt apart aan een eigen deel zonder afstemming

d)

De leiding neemt alle taken over

66.

Welke factor veroorzaakte expliciet spanning binnen de groep in de casus?

a)

Sophie werkte aan haar eigen plan en was het niet eens met Lucas

b)

Lucas deelde taken te langzaam

c)

Tim nam te veel initiatief

d)

Er was te weinig materiaal uit het bos

67.

Kies de rol die past bij deze beschrijving: je neemt initiatief, je nodigt anderen uit om je voorstellen te volgen en je neemt beslissingen na overleg.

a)

de leider

b)

de helper

c)

de ondersteuner

d)

de volger

68.

Welke rol hoort bij: je biedt hulp aan, je bent vriendelijk, je moedigt aan en je geeft complimenten.

a)

de helper

b)

de stille

c)

de grenssteller

d)

de opstandige

69.

Bij welke rol werk je ten volle mee als het gevraagd wordt, zorg je voor een goede sfeer en luister en denk je mee?

a)

de ondersteuner

b)

de leider

c)

de bepaler

d)

de volger

70.

Kies de juiste rol: je vraagt om advies en volgt dat ook op, en je accepteert de leiding van iemand die je vertrouwt.

a)

de volger

b)

de helper

c)

de opstandige

d)

de grenssteller

71.

Welke rol wordt beschreven door: je blijft op de achtergrond, je geeft niet snel je mening en je doet wat er gevraagd wordt?

a)

de stille

b)

de leider

c)

de ondersteuner

d)

de bepaler

72.

Kies de beste match: je verdedigt jouw mening, je stelt kritische vragen en je laat zien wie je bent.

a)

de opstandige

b)

de helper

c)

de volger

d)

de ondersteuner

73.

Welke rol past bij: je bent assertief, je stelt duidelijk grenzen en confronteert anderen wanneer nodig (maak duidelijk dat je niet akkoord gaat met iets)?

a)

de grenssteller

b)

de volger

c)

de stille

d)

de leider

74.

Kies de rol die wordt gekenmerkt door: je neemt besluiten en initiatief zonder anderen daarbij te betrekken.

a)

de bepaler

b)

de helper

c)

de ondersteuner

d)

de opstandige

75.

Combineer de definitie met de term: welke definitie hoort bij non-verbaal gedrag?

a)

reageren met gesproken of geschreven woorden

b)

reageren door middel van lichaamstaal (gebaren, mimiek, lichaamshouding) en stemgeluid/intonatie

76.

Combineer de definitie met de term: welke definitie hoort bij verbaal gedrag?

a)

reageren met gesproken of geschreven woorden

b)

reageren door middel van lichaamstaal (gebaren, mimiek, lichaamshouding) en stemgeluid/intonatie

77.

In de volgende casus: de leerkracht zet duo’s aan het werk. Eén leerling werkt naarstig, de andere hangt op zijn/haar stoel met de handen in de zakken en zoekt aandacht van een vriend(in) om te kletsen. Er vallen wat woorden tussen beide leerlingen. Bij een opmerking van de leerkracht rolt de leerling zijn/haar ogen, zet zich recht en begint te werken (kort van duur). Selecteer de voorbeelden van verbaal gedrag.

a)

de leerkracht maakt een opmerking

b)

er vallen woorden tussen beide leerlingen

c)

de leerling rolt de ogen

d)

de leerling hangt op de stoel met handen in de zakken

e)

de leerling zet zich recht en begint te werken

78.

In dezelfde casus, selecteer de voorbeelden van non-verbaal gedrag.

a)

de leerkracht maakt een opmerking

b)

er vallen woorden tussen beide leerlingen

c)

de leerling rolt de ogen

d)

de leerling hangt op de stoel met handen in de zakken

e)

de leerling zet zich recht en begint te werken

79.

In het rollenspel dat bij de casus hoort, welke rol heeft leerling 1?

a)

de naarstige leerling

b)

de leerling die niet meewerkt

c)

de leerkracht die aanmaant om mee te werken

80.

In het rollenspel dat bij de casus hoort, welke rol heeft leerling 2?

a)

de naarstige leerling

b)

de leerling die niet meewerkt en de ander al het werk laat doen

c)

de leerkracht die aanmaant om mee te werken

81.

In het rollenspel dat bij de casus hoort, welke rol heeft leerling 3?

a)

de naarstige leerling

b)

de leerling die niet meewerkt

c)

de leerkracht die leerling 2 aanmaant om mee te werken aan de opdracht

82.

Op basis van de casus, hoe wordt de reactie van leerling 2 op de opmerking van de leerkracht het best gekarakteriseerd?

a)

niet-verbaal afwijzend (ogen rollen), daarna kortstondig meewerken

b)

direct constructief verbaal overleg met de klasgenoot

c)

blijvende samenwerking zonder weerstand

d)

geen merkbare reactie

83.

Leidde de reactie van leerling 2 tot een duurzame, constructieve oplossing?

a)

nee, het meewerken was van korte duur

b)

ja, het conflict werd blijvend opgelost

c)

onduidelijk

84.

Waren de reacties tegenover de leerkracht respectvol volgens de casus?

a)

gedeeltelijk: oogrollen is niet respectvol, hoewel er kort gewerkt werd

b)

volledig respectvol zonder enige weerstand

c)

volledig respectloos inclusief scheldwoorden

85.

Wat moet je doen volgens de opdracht over het G-schema?

a)

Het filmpje bekijken

b)

Het filmpje overslaan

c)

Alleen de titel noteren

d)

Het geluid van het filmpje uitzetten

86.

Selecteer de vijf sleutelwoorden die het 5 G-schema vormen.

a)

Gebeurtenis

b)

Gedachte

c)

Gevoel

d)

Gedrag

e)

Gevolg

87.

In de tabel voor Adam is de gebeurtenis beschreven. Welke gebeurtenis staat er?

a)

Enkele jongeren wijzen naar Adam

b)

Adam wordt door de leraar geroepen

c)

Adam wint een wedstrijd

d)

Adam zit alleen in de klas

88.

Bij de gebeurtenis dat enkele jongeren naar hem wijzen: wat dacht Adam waarschijnlijk?

a)

Ze lachen me uit

b)

Ze willen me helpen

c)

Ze wijzen naar de klok

d)

Ze praten over iemand anders

89.

Bij dezelfde gebeurtenis: welk gevoel had Adam waarschijnlijk?

a)

Beschaamd

b)

Blij

c)

Onverschillig

d)

Enthousiast

90.

Bij dezelfde gebeurtenis: welk gedrag vertoonde Adam waarschijnlijk?

a)

Keek naar de grond en liep weg

b)

Lachte en zwaaide naar de groep

c)

Negeerde het en bleef staan

d)

Riep iets terug naar de groep

91.

Bij dezelfde gebeurtenis: wat was het gevolg van wat Adam deed?

a)

De spanning nam af maar hij voelde zich buitengesloten

b)

De groep stopte onmiddellijk en bood excuses aan

c)

Er gebeurde niets en hij vergat het meteen

d)

Hij kreeg complimenten van de groep

92.

In het filmpje denkt Gitte op een positieve manier over de gebeurtenis. Welke onderdelen van het G-schema moet je volgens de instructie invullen voor Gitte?

a)

Gedachte

b)

Gevoel

c)

Gedrag

d)

Gevolg

e)

Gebeurtenis

93.

Lees de situatie: Je bent op een feestje waar je niemand kent. Er zit een meisje naast je die ook niemand kent. Wat is een passende positieve gedachte (+) bij deze situatie?

a)

Ik kan iemand nieuws leren kennen.

b)

Niemand wil met me praten.

c)

Het is vast een saai feest.

d)

Ik had niet moeten komen.

94.

Lees de situatie: Je bent op een feestje waar je niemand kent. Er zit een meisje naast je die ook niemand kent. Welke negatieve gedachte (−) past het best bij deze situatie?

a)

Niemand wil met me praten.

b)

Ik kan een gezellig gesprek beginnen.

c)

Misschien wordt dit leuk.

d)

Ik ga nieuwe mensen ontmoeten.

95.

Koppel een gevoel uit de basismoties aan de positieve gedachte dat je iemand nieuws kan leren kennen. Welk gevoel is het meest waarschijnlijk?

a)

Vreugde

b)

Angst

c)

Afschuw/afkeer

d)

Verdriet

96.

Koppel een gevoel uit de basismoties aan de negatieve gedachte dat niemand met je wil praten. Welk gevoel is het meest waarschijnlijk?

a)

Angst

b)

Vreugde

c)

Verbazing

d)

Afschuw/afkeer

97.

Wat is een passend positief gedrag (+) bij de situatie op het feest?

a)

Stel jezelf voor aan het meisje en begin een gesprek.

b)

Blijf op je telefoon en vermijd oogcontact.

c)

Verlaat het feest meteen.

d)

Ga alleen in een hoek staan.

98.

Wat is een passend negatief gedrag (−) bij de situatie op het feest?

a)

Blijf op je telefoon en vermijd oogcontact.

b)

Maak een praatje met het meisje.

c)

Vraag of ze samen naar anderen wil gaan.

d)

Introduceer jezelf bij de groep.

99.

Wat is een waarschijnlijk gevolg (+) van het positieve gedrag dat je een gesprek start met het meisje?

a)

Je maakt contact en voelt je meer op je gemak.

b)

Je voelt je steeds ongemakkelijker.

c)

Je leert niemand kennen.

d)

Je besluit vroeg naar huis te gaan.

100.

Wat is een waarschijnlijk gevolg (−) van het negatieve gedrag dat je contact vermijdt?

a)

Je blijft je ongemakkelijk voelen en leert niemand kennen.

b)

Je bouwt nieuwe vriendschappen op.

c)

Je hebt een leuk gesprek en geniet van het feest.

d)

Je voelt vreugde door een geslaagde kennismaking.

101.

Na de oefening volgt een korte nabespreking: Heeft iedereen unaniem hetzelfde geantwoord?

a)

Ja

b)

Nee

102.

Na de oefening volgt een korte nabespreking: Hoe verklaar je de verschillende antwoorden?

a)

Persoonlijke grenzen verschillen per persoon.

b)

Hoe goed je iemand kent beïnvloedt de keuze.

c)

Regels en context (zoals school- of verkeersreglement) spelen mee.

d)

Iedereen interpreteerde exact hetzelfde, dus er zijn geen verschillen.

103.

Denk na hoe er anders zou kunnen gereageerd worden om de grens niet te overschrijden.

a)

Vraag expliciet naar wat de ander wil of prettig vindt.

b)

Respecteer een duidelijk uitgesproken nee.

c)

Ga door zonder te vragen of te luisteren.

d)

Pas je gedrag aan wanneer iemand ongemak aangeeft.

104.

Lees de situatie: Je hebt je AirPods uitgeleend aan een vriend(in) en krijgt ze stuk terug. Kies de reactie die het meest overeenkomt met een ik‑boodschap in een veilig, respectvol klimaat.

a)

Ik begin te schelden of te slaan.

b)

Ik vertel de persoon waarom ik boos op hem/haar ben.

c)

Ik loop weg van degene op wie ik boos ben.

d)

Ik doe alsof ik niet kwaad ben.

105.

In dezelfde situatie met de kapotte AirPods: Welke reactie bevordert het best een veilig, respectvol klimaat terwijl je je grenzen duidelijk maakt?

a)

Ik begin te dreigen tot de persoon me geld geeft voor een nieuwe.

b)

Ik probeer een oplossing te bedenken.

c)

Ik denk: ‘Laat maar zitten, ik wil geen problemen.’

d)

Ik loop weg van degene op wie ik boos ben.

106.

Na het rollenspel over de kapotte AirPods: Waarom is reageren met een ik‑boodschap beter dan schelden of dreigen? (Meerdere keuzes mogelijk)

a)

Het maakt duidelijk wat je voelt en verwacht zonder de ander aan te vallen.

b)

Het vergroot de kans op een oplossing en wederzijds respect.

c)

Het voorkomt dat de AirPods automatisch gerepareerd worden.

d)

Het zorgt ervoor dat boosheid binnen enkele seconden volledig verdwijnt.

107.

Lees de casus: Jij en je vriend(in) hebben afgesproken om samen naar de film te gaan en je vriend(in) zegt op het laatste nippertje af. Kies de beste formulering voor het onderdeel ‘je begint met de naam’ in de ik-boodschap.

a)

Naam van je vriend(in)

b)

Hoi allemaal

c)

Beste meneer de leerkracht

d)

Lieve dagboek

108.

Bij dezelfde casus over de film: kies de zin die het onderdeel ‘je gebruikt de ik-vorm’ correct weergeeft in de ik-boodschap.

a)

Ik voel me teleurgesteld.

b)

Je bent onbetrouwbaar.

c)

Men zegt dat jij vaak afzegt.

d)

We vinden dit niet leuk.

109.

Bij dezelfde casus over de film: welke zin beschrijft jouw gevoel op een ik-manier voor het onderdeel ‘je beschrijft jouw gevoel’?

a)

Ik ben teleurgesteld dat je op het laatste moment afzegt.

b)

Je moet niet afzeggen.

c)

Het is jouw schuld.

d)

Iedereen vindt dit stom.

110.

Bij dezelfde casus over de film: kies het beste voorbeeld van ‘je noemt een concreet stukje gedrag van de ander’.

a)

Je hebt op het laatste nippertje afgezegd.

b)

Je bent altijd zo.

c)

Je respecteert afspraken nooit.

d)

Je bent gemeen.

111.

Bij dezelfde casus over de film: welke zin verwoordt het onderdeel ‘je geeft de reden waarom je het zegt’ het beste?

a)

Omdat ik graag duidelijk maak wat het met mij doet en hoop dat het anders kan.

b)

Omdat ik je wil straffen.

c)

Omdat de leerkracht dat vraagt.

d)

Zonder reden.

112.

Formuleer een ik-boodschap bij deze situatie: Als je een fout antwoord zegt in de klas, hoor je je klasgenoot altijd lachen. Dit doet pijn. Je wilt dat het stopt. Kies de beste ik-zin.

a)

Ik voel me gekwetst wanneer je lacht als ik een fout antwoord geef in de klas; ik wil graag dat je daarmee stopt.

b)

Hou op met lachen, jij doet altijd flauw.

c)

Iedereen lacht toch; het is niet mijn probleem.

d)

Je moet stil zijn, anders ga ik naar de leerkracht.

113.

Formuleer een ik-boodschap bij deze situatie: Je gaat met de klas op uitstap. Je spreekt met een klasgenoot af om naast elkaar op de bus te zitten. Eenmaal op de bus gaat iemand anders op jouw plaats zitten. Kies de beste ik-zin.

a)

Ik voel me teleurgesteld wanneer iemand anders op mijn afgesproken plaats gaat zitten; ik wil graag dat we naast elkaar zitten zoals besproken.

b)

Waarom laat jij altijd anderen mijn plaats innemen?

c)

Die persoon moet meteen weg, het is mijn stoel!

d)

Iedereen wisselt toch plaatsen; dit is geen probleem.

114.

Formuleer een ik-boodschap bij deze situatie: Wat zeg je als je vriend(in) een geheim van je doorverteld heeft aan een ander? Kies de beste ik-zin.

a)

Ik ben gekwetst omdat je mijn geheim hebt doorverteld; ik wil dat je dat niet meer doet.

b)

Je bent een verrader en je moet zwijgen.

c)

Iedereen weet het toch al, dus het maakt niets uit.

d)

Als je nog eens praat, vertel ik jouw geheim ook.

115.

Verbindende communicatie wordt in de afbeelding voorgesteld met dieren. Welk dier staat symbool voor verbindende communicatie?

a)

Giraffe

b)

Jakhals

c)

Leeuw

d)

Panda

116.

Koppel de eigenschap ‘verwijten’ aan het juiste dier uit de afbeelding over verbindende communicatie.

a)

Giraffe (verbindende communicatie)

b)

Jakhals (niet‑verbindende communicatie)

117.

Koppel de eigenschap ‘verbinden’ aan het juiste dier uit de afbeelding over verbindende communicatie.

a)

Giraffe (verbindende communicatie)

b)

Jakhals (niet‑verbindende communicatie)

118.

Koppel de eigenschap ‘herstellen’ aan het juiste dier uit de afbeelding over verbindende communicatie.

a)

Giraffe (verbindende communicatie)

b)

Jakhals (niet‑verbindende communicatie)

119.

Koppel de eigenschap ‘oordelen’ aan het juiste dier uit de afbeelding over verbindende communicatie.

a)

Giraffe (verbindende communicatie)

b)

Jakhals (niet‑verbindende communicatie)

120.

Koppel de eigenschap ‘luisteren’ aan het juiste dier uit de afbeelding over verbindende communicatie.

a)

Giraffe (verbindende communicatie)

b)

Jakhals (niet‑verbindende communicatie)

121.

Koppel de eigenschap ‘aanvallen’ aan het juiste dier uit de afbeelding over verbindende communicatie.

a)

Giraffe (verbindende communicatie)

b)

Jakhals (niet‑verbindende communicatie)

122.

Koppel de eigenschap ‘begrijpen’ aan het juiste dier uit de afbeelding over verbindende communicatie.

a)

Giraffe (verbindende communicatie)

b)

Jakhals (niet‑verbindende communicatie)

123.

Koppel de eigenschap ‘beschuldigen’ aan het juiste dier uit de afbeelding over verbindende communicatie.

a)

Giraffe (verbindende communicatie)

b)

Jakhals (niet‑verbindende communicatie)

124.

In het schema met de rotonde en vier pijlen staat linksboven: “Ik zie/hoor…”. Welke stap van verbindende communicatie hoort hierbij?

a)

Observatie

b)

Gevoel

c)

Behoefte

d)

Verzoek

125.

In het schema met de rotonde en vier pijlen staat linksonder: “Ik voel…”. Welke stap van verbindende communicatie hoort hierbij?

a)

Observatie

b)

Gevoel

c)

Behoefte

d)

Verzoek

126.

In het schema met de rotonde en vier pijlen staat rechtsonder: “Ik heb nood aan…”. Welke stap van verbindende communicatie hoort hierbij?

a)

Observatie

b)

Gevoel

c)

Behoefte

d)

Verzoek

127.

In het schema met de rotonde en vier pijlen staat rechtsboven: “Ik wil graag…”. Welke stap van verbindende communicatie hoort hierbij?

a)

Observatie

b)

Gevoel

c)

Behoefte

d)

Verzoek

128.

Volgens de tekst is verbindend communiceren gebaseerd op een aantal principes. Welke van de onderstaande elementen maken deel uit van deze principes volgens psycholoog Marshall Rosenberg?

a)

Waarnemen zonder oordelen

b)

Gevoelens uiten en benoemen

c)

Erkennen van behoeften

d)

Verzoeken om een actie tot verbinding

129.

Welke omschrijving past bij het principe waarnemen zonder oordelen zoals beschreven in de tekst?

a)

Je beschrijft waarneembaar gedrag zonder interpretaties

b)

Je benoemt je gevoelens en zoekt naar manieren om ermee om te gaan

c)

Je geeft aan wat je nodig hebt om je beter te voelen

d)

Je doet een direct en duidelijk verzoek zonder bevelend te zijn

130.

Wat is volgens de tekst het doel van gevoelens uiten en benoemen?

a)

Je gevoelens helpen benoemen, die erkennen en zoeken naar een manier om ermee om te gaan

b)

Je eigen interpretaties over gedrag formuleren

c)

Anderen beoordelen zodat zij hun gedrag aanpassen

d)

Een bevel geven dat direct moet worden opgevolgd

131.

Wat vraagt het principe erkennen van behoeften in je uitspraken volgens de tekst?

a)

Niet oordelen of veroordelen en aangeven wat jij nodig hebt om je beter te voelen

b)

Het gedrag van anderen interpreteren en beoordelen

c)

Alleen je emoties verbergen om escalatie te voorkomen

d)

Een lijst maken van oplossingen zonder je behoeften te noemen

132.

Hoe wordt een verzoek om een actie tot verbinding geformuleerd volgens de tekst?

a)

Direct en duidelijk zonder bevelend te zijn

b)

Emotioneel en dwingend zodat het snel gebeurt

c)

Vaag en open zodat iedereen het anders kan begrijpen

d)

Met een beoordeling van de ander zodat die weet wat fout is

133.

Wat is volgens de tekst het voordeel van werken vanuit dit model in conflictsituaties?

a)

Sneller tot een constructieve oplossing komen en escalatie van het conflict voorkomen

b)

De ander overtuigen door sterke beoordelingen te geven

c)

Conflicten uit de weg gaan door gevoelens te verbergen

d)

Het conflict uitstellen tot er geen emoties meer zijn

134.

Wie introduceerde de principes van verbindend communiceren zoals in de tekst vermeld?

a)

Marshall Rosenberg

b)

Carl Rogers

c)

Sigmund Freud

d)

Abraham Maslow

135.

Lees de casus: Voor het vak Nederlands moeten leerlingen per twee een groepswerk maken. Sylvie werkt hard door en geeft instructies over wat Elly moet doen; Elly draagt weinig bij. Sylvie wordt boos en zegt dat Elly nooit meewerkt tijdens groepswerken. Elly reageert gefrustreerd en zegt dat Sylvie alleen op haar manier wil werken en geen inbreng aanvaardt. Beide leerlingen focussen enkel op hun eigen situatie. Welke rollen nemen ze in volgens het model giraf/jakhals?

a)

Beiden nemen de rol van giraf in

b)

Sylvie is giraf, Elly is jakhals

c)

Sylvie is jakhals, Elly is giraf

d)

Beiden nemen de rol van jakhals in

136.

Toepassing van verbindende communicatie voor Sylvie. Kies de beste waarneming geformuleerd zonder oordeel over Elly, op basis van de casus: Sylvie geeft veel instructies, Elly draagt weinig bij.

a)

Ik zie dat Elly weinig bijdraagt aan het groepswerk

b)

Ik vind dat Elly lui en ongemotiveerd is

c)

Elly verpest altijd onze groepsopdrachten

d)

Ik weet niet wat Elly doet, maar het is vast te weinig

137.

Toepassing van verbindende communicatie voor Sylvie. Welk gevoel benoemt Sylvie het meest passend op basis van de casus?

a)

Boos en gefrustreerd

b)

Opgewonden en blij

c)

Onverschillig en ontspannen

d)

Verrast en hoopvol

138.

Toepassing van verbindende communicatie voor Sylvie. Welke behoefte past het best bij haar situatie?

a)

Behoefte aan samenwerking en betrokkenheid van haar partner

b)

Behoefte aan meer vrije tijd los van het project

c)

Behoefte om alleen te werken zonder overleg

d)

Behoefte om het onderwerp van het project te veranderen

139.

Toepassing van verbindende communicatie voor Sylvie. Welk verzoek aan Elly sluit het best aan bij de casus en het model (waarneming–gevoel–behoefte–verzoek)?

a)

Zou je samen met mij duidelijke taken willen afspreken en actief meewerken?

b)

Kun je mij alles laten beslissen zodat het sneller gaat?

c)

Wil je stoppen met kritiek en gewoon doen wat ik zeg?

d)

Kun je het project aan iemand anders overlaten?

140.

Toepassing van verbindende communicatie voor Elly. Kies de beste waarneming geformuleerd zonder oordeel over Sylvie, op basis van de casus: Sylvie geeft veel instructies en aanvaardt weinig inbreng.

a)

Ik zie dat Sylvie de aanpak bepaalt en mijn voorstellen vaak niet meeneemt

b)

Sylvie is bazig en denkt dat ze alles beter weet

c)

Sylvie luistert nooit naar mij, dat is typisch voor haar

d)

Sylvie probeert mij tegen te werken

141.

Toepassing van verbindende communicatie voor Elly. Welk gevoel benoemt Elly het meest passend op basis van de casus?

a)

Gefrustreerd en teleurgesteld

b)

Vrolijk en opgelucht

c)

Bang en onzeker

d)

Verveeld en slaperig

142.

Toepassing van verbindende communicatie voor Elly. Welke behoefte past het best bij haar situatie?

a)

Behoefte aan autonomie en inspraak in de aanpak

b)

Behoefte om minder aan het project te werken

c)

Behoefte om het project te stoppen

d)

Behoefte aan meer competitieve beoordeling

143.

Toepassing van verbindende communicatie voor Elly. Welk verzoek aan Sylvie sluit het best aan bij de casus en het model (waarneming–gevoel–behoefte–verzoek)?

a)

Zou je ruimte willen geven voor mijn ideeën zodat we samen kunnen beslissen over de aanpak?

b)

Kun je mij alle uitvoerende taken geven zonder overleg?

c)

Wil je stoppen met het project zodat de stress weg is?

d)

Kun je alles zelf doen en mij achteraf informeren?

144.

Lees de casus en beantwoord: Je moeder vraagt regelmatig om na schooltijd brood te halen. Je doet het bijna altijd. Nu vraag jij eens aan je moeder om na schooltijd eventjes naar het park te mogen gaan. Je moeder zegt radicaal nee, zonder na te vragen waarom je daar naartoe wil. Je rent kwaad de trap op en sluit je op in je kamer. Welke rol heb jij in deze situatie ingenomen volgens het model met de jakhals en de giraf?

a)

De jakhals, omdat je boos reageert en je afsluit zonder dialoog

b)

De giraf, omdat je empathisch luistert en je behoefte helder uitspreekt

145.

Pas het schema van verbindende communicatie toe op deze casus: Je moeder vraagt regelmatig om na schooltijd brood te halen. Jij vraagt om na schooltijd eventjes naar het park te mogen gaan. Je moeder zegt radicaal nee zonder te vragen waarom je daar naartoe wil; jij rent kwaad de trap op en sluit je op in je kamer. Welke ik‑boodschap past het best bij verbindende communicatie (observatie, gevoel, behoefte, verzoek) in deze situatie?

a)

Mama, jij bent altijd oneerlijk. Laat me gewoon gaan of ik ga toch.

b)

Mama, ik voel me teleurgesteld omdat ik na school wil ontspannen met mijn vrienden; wil je samen bekijken of ik eerst brood haal en daarna even naar het park kan?

c)

Mama, ik mag naar het park want iedereen mag dat. Ik ga nu.

d)

Mama, je luistert nooit. Ik heb het recht om te doen wat ik wil; stop met nee te zeggen.