wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

M&M H2 P1 Toets

Total questions: 52

Worksheet time: 1hrs 14mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het belangrijkste verschil tussen weer en klimaat?

a)

Weer gaat over temperatuur, klimaat over wind

b)

Weer is tijdelijk en lokaal, klimaat is langdurig

c)

Weer is grafiek, klimaat is kaart

d)

Weer is gemiddelde van 30 jaar, klimaat is vandaag

2.

Welke weerelementen gebruik je om het weer te beschrijven?

a)

Neerslag, luchtkwaliteit en mist

b)

Temperatuur, zonuren en wolken

c)

Temperatuur, wind en neerslag

d)

Windrichting, luchtdruk en zee

3.

Je ziet een klimaatsgrafiek met blauwe staven en een rode lijn. Wat geven deze meestal weer?

a)

Staven temperatuur, lijn neerslag

b)

Staven neerslag, lijn temperatuur

c)

Staven wind, lijn zonuren

d)

Staven luchtdruk, lijn neerslag

4.

In Leiden schijnt de zon terwijl in Noordwijkerhout regen valt. Welke conclusie past het best?

a)

Het weer is gemiddelde van dertig jaar

b)

Het klimaat verandert elk uur

c)

Het weer is tijdelijk en plaatselijk

d)

Het klimaat verschilt per dorp op één dag

5.

Een leerling vergelijkt twee klimaatsgrafieken. In grafiek A is de rode lijn het hele jaar laag en de blauwe staven zijn vaak hoog. In grafiek B is de rode lijn hoog en de blauwe staven laag. Welke redenering is het meest logisch?

a)

Gebied A heeft geen weer in de zomer

b)

Gebied A heeft dezelfde seizoenen als gebied B

c)

Gebied A is kouder en natter dan gebied B

d)

Gebied A is droger en warmer dan gebied B

6.

Wat kenmerkt lage breedte het meest qua zonnestralen en temperatuur?

a)

Korte weg, klein oppervlak, vaak warm

b)

Lange weg, groot oppervlak, vaak koud

c)

Korte weg, groot oppervlak, vaak koud

d)

Lange weg, klein oppervlak, vaak warm

7.

Welke zone ligt rond de evenaar?

a)

Lage breedte

b)

Woestijnzone

c)

Subpoolse zone

d)

Hoge breedte

8.

Waarom is het op hoge breedte gemiddeld kouder?

a)

Zonnestralen schuin, lange weg, groot oppervlak

b)

Dichter bij de evenaar en oceaanstromen

c)

Zonnestralen loodrecht, korte weg, klein oppervlak

d)

Meer neerslag het hele jaar door

9.

Welke uitspraak over de evenaar is juist?

a)

Zon verwarmt vooral de polaire gebieden

b)

Zon bereikt de aarde via langere weg

c)

Zon staat schuin, groter verwarmd oppervlak

d)

Zon staat vaker loodrecht, kleiner verwarmd oppervlak

10.

Koppel de beschrijving aan de juiste breedte (A of B). A: korte weg, klein oppervlak. B: lange weg, groot oppervlak.

a)

A woestijnklimaat, B zeeklimaat

b)

A lage breedte, B hoge breedte

c)

A hoge breedte, B lage breedte

d)

A polaire zone, B tropische zone

11.

Welke eigenschap past het best bij het tropisch regenwoudklimaat?

a)

Voornamelijk droog, af en toe regen

b)

Het hele jaar boven 18°C en veel regen

c)

Droge en natte periode met The Big Five

d)

Weinig tot geen regen en grote temperatuurverschillen

12.

Wat is kenmerkend voor het savanneklimaat?

a)

Kale vlakten met bijna geen bewoners

b)

Bomen, grassen en struiken met twee seizoenen

c)

Dichte, altijd natte jungle zonder seizoenen

d)

Rots- en zandwoestijnen met weinig regen

13.

Welke combinatie hoort bij het steppeklimaat?

a)

Grassen en struiken, meestal droog

b)

Altijd warm en nat, veel soorten

c)

Weinig tot geen regen, zandduinen

d)

Dichte bomen, geen seizoenen

14.

Wat beschrijft het woestijnklimaat het best?

a)

Afwisselend nat en droog met savannedieren

b)

Lage temperaturen en veel sneeuw

c)

Veel neerslag en geen duidelijke seizoenen

d)

Weinig tot geen regen, rots- en zandwoestijnen

15.

Kijk naar de foto van dicht groen woud. Bij welk klimaat past dit beeld het best?

a)

Steppeklimaat

b)

Tropisch regenwoudklimaat

c)

Savanneklimaat

d)

Woestijnklimaat

16.

Op de foto staan olifanten bij een enkele boom op grasland. Welk klimaat hoort hierbij?

a)

Savanneklimaat

b)

Woestijnklimaat

c)

Steppeklimaat

d)

Tropisch regenwoudklimaat

17.

Zet de klimaten op lage breedte in volgorde vanaf de evenaar, van nat naar droog.

a)

Woestijn, steppe, savanne, tropisch regenwoud

b)

Tropisch regenwoud, savanne, steppe, woestijn

c)

Savanne, tropisch regenwoud, woestijn, steppe

d)

Steppe, tropisch regenwoud, savanne, woestijn

18.

Waarmee hangt het kleine aantal bewoners in de steppe vaak samen?

a)

Volop akkers en dorpen

b)

Veel regen en dichte bossen

c)

Beperkte neerslag en weinig water

d)

Lage temperaturen en sneeuw

19.

Welke eigenschap hoort bij een gematigd zeeklimaat?

a)

Koele zomers en zachte winters

b)

Heetste zomers en strenge winters

c)

Slechts één seizoen per jaar

d)

Altijd droog en weinig wolken

20.

Wat veroorzaakt de gematigde temperaturen bij een gematigd zeeklimaat het meest?

a)

Dichte oerwouden en schaduw

b)

Nabijheid van grote woestijnen

c)

Hoge bergen en hoogte

d)

Invloed van de zee en zeewind

21.

In een landklimaat ontbreekt een belangrijke factor. Welke?

a)

Invloed van de zee

b)

Hoge neerslagpieken

c)

Sterke zeewind in zomer

d)

Grote temperatuurverschillen

22.

Welke combinatie past het best bij een landklimaat?

a)

Warme winters, koele zomers

b)

Koude winters, hete zomers

c)

Koele zomers, zachte winters

d)

Altijd onder nul, geen groei

23.

Wat is permafrost?

a)

Bodem die bijna altijd bevroren is

b)

Sneeuw die elk jaar smelt

c)

IJs dat alleen in winter ontstaat

d)

Regen die direct bevriest

24.

Welke uitspraak over het toendraklimaat klopt?

a)

Het heeft zachte, natte winters

b)

Zomertemperatuur blijft onder 10°C

c)

Er groeien hoge loofbomen

d)

Zomers zijn vaak boven 25°C

25.

Wat kenmerkt het poolklimaat qua temperatuur?

a)

Warme zomers en koude winters

b)

Het hele jaar onder 0°C

c)

Grote hittegolven in juli

d)

Temperaturen rond 15°C

26.

Wat bedoelen we met poolnacht en pooldag?

a)

Alleen korte schemering in de zomer

b)

Een week zonder daglicht in winter

c)

Elke dag twaalf uur licht en donker

d)

Half jaar geen zonsopkomst, half jaar geen zonsondergang

27.

Waarom groeien er in het poolklimaat bijna geen planten?

a)

Er valt te veel regen

b)

De bodem is te zout

c)

De lucht is te vochtig

d)

De temperatuur is te laag

28.

Wat gebeurt er met de temperatuur in het hooggebergteklimaat als je stijgt?

a)

Elke 1000 m ongeveer 6°C kouder

b)

Alleen ’s nachts kouder

c)

Elke 1000 m ongeveer 6°C warmer

d)

Blijft gelijk op elke hoogte

29.

Welke eigenschap hoort bij een hooggebergteklimaat?

a)

Weinig kou door zeewind

b)

Milde zomers met palmbomen

c)

Hele jaar tropische hitte

d)

Eeuwige sneeuw op grote hoogte

30.

Welke verklaring past bij koele zomers in kustgebieden met zeeklimaat?

a)

De woestijnwind brengt koude lucht

b)

De bodem straalt extra warmte uit

c)

Hoge bergen blokkeren warme lucht

d)

De zee warmt langzaam op en koelt de lucht

31.

Wat is een kenmerk van een woestijnklimaat?

a)

Veel neerslag en hoge luchtvochtigheid

b)

Extreem hoge temperaturen en weinig regen

c)

Gemiddelde temperaturen met seizoensgebonden regen

d)

Koele zomers en strenge winters

32.

Welke uitspraak over het zeeklimaat is juist?

a)

Het is altijd droog en zonnig

b)

Het heeft grote temperatuurverschillen tussen seizoenen

c)

Het heeft milde winters en koele zomers

d)

Het heeft altijd hoge temperaturen

33.

Wat is een belangrijk kenmerk van het poolklimaat?

a)

Veel vegetatie en biodiversiteit

b)

Extreem koude winters en korte zomers

c)

Gemiddelde temperaturen boven de 0°C

d)

Hoge neerslag en milde temperaturen

34.

Leg uit waarom het op lage breedte warmer is dan op hoge breedte.

4 lines
35.

Wat is het belangrijkste verschil tussen weer en klimaat?

4 lines
36.

Noem twee kenmerken van het tropisch regenwoudklimaat en leg uit waarom het daar zoveel regent.

4 lines
37.

Beschrijf het verschil tussen het savanneklimaat en het steppeklimaat.

4 lines
38.

Noem de vier klimaten op lage breedte in de juiste volgorde vanaf de evenaar.

4 lines
39.

Waarom hebben landen met een gematigd zeeklimaat zachte winters en koele zomers?

4 lines
40.

Noem twee kenmerken van het landklimaat

4 lines
41.

Wat zijn twee kenmerken van het toendraklimaat?

4 lines
42.

Wat gebeurt er met de temperatuur als je 1000 meter omhoog gaat in een berggebied?

4 lines
43.

Wat is het belangrijkste gevolg van de schuine inval van zonnestralen op hoge breedte?

4 lines
44.

Wat zijn twee kenmerken waarmee je het gematigd zeeklimaat kunt herkennen op een klimaatgrafiek?

4 lines
45.

Wat is het belangrijkste verschil in neerslag tussen het tropisch regenwoudklimaat en het savanneklimaat?

4 lines
46.

Wat is het verschil in plantengroei tussen de savanne en de steppe?

4 lines
47.

Hoe verschilt de temperatuur tussen een landklimaat en een gematigd zeeklimaat?

4 lines
48.

Wat is het verschil tussen het savanneklimaat en het landklimaat in seizoensopbouw?

4 lines
49.

Wat is het verschil in ligging op de aarde tussen de tropische klimaten en de koude klimaten?

4 lines
50.

Waarom kun je niet zeggen dat Nederland een poolklimaat heeft als het een paar dagen vriest?

4 lines
51.

Noem de drie weerelementen waarmee je het weer van een plaats kunt beschrijven.

4 lines
52.

Waarom kun je voor het bepalen van een klimaat niet alleen naar één maand of seizoen kijken?

4 lines