Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

themawoorden 4

Total questions: 35

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

pubertijd is een ...

a)

oude meneer

b)

levensfase

c)

kleuter

2.

het verslag

a)

ver gooien

b)

iemand slaan

c)

opschrijven wat er gebeurd is

3.

ouderwets

a)

iets moderns

b)

iets nieuws

c)

iets van vroeger

4.

het uniform

a)

een pet

b)

een pak dat bij een beroep hoort

c)

een eenhoorn

5.

de volwassene

a)

iemand die geen kind meer is

b)

een kind

c)

een puber

6.

de ervaring

a)

iemand die ouder is

b)

opschrijven wat er gebeurt

c)

iets wat je meegemaakt hebt

7.

een hekel hebben aan

a)

iets heel erg leuk vinden

b)

iets helemaal niet leuk vinden

c)

ergens van houden

8.

opgroeien

a)

groot worden

b)

klein blijven

c)

volwassen zijn

9.

modern

a)

een telefoon

b)

iets van nu

c)

iets ouds

10.

iets op zak hebben

a)

een zak hebben

b)

iets bij zich hebben

c)

een zakmes hebben

11.

de peuter

a)

een kleuter

b)

iemand die ouder is dan 65 jaar

c)

een kind van 2 tot 4 jaar oud

12.

de bejaarde

a)

iemand die erg oud is

b)

iemand die jong is

c)

iemand die een baard heeft

13.

de bruiloft

a)

het feest van mensen die trouwen

b)

feest van een verjaardag

c)

kerst feest

14.

de bruidegom

a)

het trouwfeest

b)

de man die trouwt

c)

de vrouw die trouwt

15.

morgenmiddag

a)

de middag van morgen

b)

de avond van gisteren

c)

de ochtend van morgen

16.

gisteravond

a)

de ochtend van morgen

b)

de avond van morgen

c)

de avond van gisteren

17.

het bruidsmeisje

a)

de vrouw die trouwt

b)

de man die trouwt

c)

het meisje dat helpt op de bruiloft

18.

morgenmiddag

a)

de middag van morgen

b)

de middag van vandaag

c)

de ochtend van vandaag

19.

de sleep

a)

de trouwjurk

b)

een lang stuk stof aan de achterkant van de trouwjurk

c)

de man die trouwt

20.

algauw

a)

morgen

b)

nu

c)

snel

21.

de receptie

a)

het eten van het feest

b)

feliciteren op het feest

c)

dansen op het feest

22.

het feestmaal

a)

de receptie van het feest

b)

het eten van het feest

c)

de avond van het feest

23.

de toespraak

a)

het toetje

b)

iets vertellen aan veel mensen

c)

iemand die trouwt

24.

gewoonlijk

a)

nooit

b)

altijd

c)

meestal

25.

de volgorde

a)

de manier waarop dingen na elkaar komen

b)

een emmer die vol is

c)

een manier waarop je iets doet

26.

rangschikken

a)

na elkaar

b)

ergens van schrikken

c)

iets op volgorde zetten

27.

één voor één

a)

vanaf nu

b)

na elkaar, niet allemaal tegelijk

c)

allemaal tegelijk

28.

andersom

a)

op volgorde

b)

omgekeerd

c)

hetzelfde

29.

het aanbreken van de ochtend

a)

het beginnen van de nacht

b)

het eindigen van de dag

c)

het beginnen van de dag

30.

het vallen van de avond

a)

het eindigen van de dag

b)

zich pijn doen

c)

het beginnen van de dag

31.

tegenwoordig

a)

nu

b)

een bepaald punt in de tijd

c)

morgen

32.

geduld

a)

verdrietig zijn

b)

boos worden

c)

goed kunnen wachten

33.

voortaan

a)

nooit

b)

vanaf nu

c)

gisteren

34.

het tijdstip

a)

de ochtend

b)

een klok

c)

een bepaald punt in de tijd

35.

schrappen

a)

onderstrepen

b)

doorstrepen

c)

kleuren