wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Vragen over Jezus en de kinderen

Total questions: 27

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Wie wou de kinderen bij Jezus brengen?

a)

De mensen

b)

De leerlingen

c)

De soldaten

2.

Wie hield de kinderen tegen om bij Jezus te komen?

a)

De leerlingen

b)

De mensen

c)

De soldaten

3.

De leerlingen hielden de kinderen tegen. Toen Jezus dat zag, werd hij kwaad.

a)

Juist

b)

onjuist

4.

Laat die kinderen bij mij komen. Houd ze niet tegen. Want Gods koninkrijk is er juist voor hen.

a)

Juist

b)

onjuist

5.

Jezus, houdt van mij zoals ik ben.

a)

Juist

b)

onjuist

6.

Hoe heeft Jezus de kinderen gezegend?

a)

Legde zijn handen op hen

b)

Een kruis op hun voorhoofd getekend

c)

Sloeg zijn armen om heen

7.

Wie bracht Jezus naar de woestijn?

a)

De leerlingen

b)

De Geest

c)

De duivel

8.

Hoeveel dagen en nachten heeft Jezus gevast?

a)

20 dagen en 20 nachten

b)

30 dagen en 30 nachten

c)

40 dagen en 40 nachten

9.

Wat vroeg de duivel NIET van Jezus?

a)

Op het water lopen

b)

  Zichzelf naar beneden te werpen

c)

stenen in brood te veranderen

d)

     Neervallen en aanbidden voor de duivel

10.

De duivel kwam bij Jezus en zei: Jij bent toch..

a)

de Profeet van God

b)

de Zoon van God

c)

de Geest van God

11.

Hoe vaak werd Jezus verleid door de duivel om verkeerde dingen te doen?

a)

2 keer

b)

3 keer

c)

4 keer

12.

Vasten brengt je dichtbij Jezus bij de mensen.

a)

Juist

b)

onjuist

13.

Jezus, wil je altijd helpen.

a)

Juist

b)

onjuist

14.

De leerlingen deden een uitspraak over Jezus. Welke?

a)

U bent de grote koning

b)

U bent echt de Zoon van God

c)

U bent de waarheid en het leven

15.

Wie heeft tegen de leerlingen gezegd dat ze naar de boot moesten gaan?

a)

Petrus

b)

Jezus

c)

De mensen

16.

Toen iedereen weg was, waar ging Jezus naar om te bidden?

a)

Naar huis van Petrus

b)

Naar het meer

c)

Naar een berg

17.

Aan het midden van de nacht liep Jezus over het water naar de boot.

a)

Juist

b)

onjuist

18.

Wat zei Jezus tegen de leerlingen om hun angst te verjagen?

a)

Niet bang zijn

b)

Rustig maar, ik ben het

c)

Kom naar mij

19.

Petrus zakte weg in het water en schreeuwde. Wat zei hij?

a)

Heer, red mij

b)

Heer, help mij

c)

Heer, geloof mij

20.

Als je iets weggeeft, doe het dan vanuit je hart en met een lach!

a)

Juist

b)

onjuist

21.

Wij moeten alleen op het moment van vasten geven.

a)

Juist

b)

onjuist

22.

Als we geven, moeten we aan alle mensen over ons geven vertellen.

a)

Juist

b)

onjuist

23.

Hoeveel muntjes deed de arme weduwe in de geldkist?

a)

Eén muntje

b)

Twee muntjes

c)

Drie muntjes

24.

Wat zei Jezus tegen zijn leerlingen?

a)

Die arme vrouw heeft het meest gegeven

b)

Die arme vrouw heeft het minst gegeven

c)

  Die arme vrouw heeft het gelijk gegeven

25.

Wat betekent een weduwe?

a)

Een vrouw die haar man gestorven is

b)

Een vrouw die gescheiden van haar man

c)

Een vrouw die niet getrouwd is

26.

  Veel rijke mensen gaven veel……..

a)

Eten

b)

Kleren

c)

Geld

27.

Meteen stak Jezus zijn hand uit en greep …….. vast. Wie grijpt hij?

a)

Jakobus

b)

   Johannes

c)

Petrus