wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

P woorden oefenen 14

Total questions: 16

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Zoek bij elkaar.

a)

1.

de stof

b)

2.

het imitatieleer

c)

3.

de hoes

d)

4.

naaien

e)

5.

breien

2.

Zij ruimt de korrels op met ... en blik.

a)

stof

b)

stoffer

c)

bezem

d)

borstel

3.

Het ventiel van de fiets is ... en moet worden vervangen.

a)

vergeten

b)

bedorven

c)

versleten

d)

invalide

4.

De nieuwe regel wordt​ (a)   .

De dozen worden op zolder ​ (b)   .

De struik wordt ​ (c)   .

CO2 wordt door auto's ​ (d)   .

Choose from the below words
ingevoerd
opgestapeld
gesnoeid
uitgestoten
ingecheckt
5.

Zoek bij elkaar.

a)

1.

vers

b)

2.

uitgestrekt

c)

3.

schimmel

d)

4.

zuivel

e)

5.

planten

6.

Het hek is te laag. Daarom hebben deze buren weinig ...

a)

privacy

b)

schutting

c)

ruzie

d)

bemoeizuchtig

7.

De auto werkt niet meer ... de kapotte accu.

a)

vooral

b)

zowel als

c)

vanwege

d)

foutief

8.

Hij voelt zich ... in zijn nieuwe baan.

a)

comfortabel

b)

geschikt

c)

vrijstaand

d)

opvallend

9.

De buren komen vanmiddag op ... voor de verjaardag.

a)

beeld

b)

visite

c)

collectie

d)

suggestie

10.

Zoek bij elkaar.

a)

1.

het rijtjeshuis

b)

2.

de twee-onder-een-kapwoning

c)

3.

de appartementen

d)

4.

het vrijstaande huis

e)

5.

de woonboot

11.

In havermout zitten veel...

a)

korrels

b)

vezels

c)

volkoren

d)

yoghurt

12.

De broek is..

a)

comfortabel

b)

te flexibel

c)

doodlopend

d)

te krap

13.

Wortels combineren goed​ (a)   prei in een moestuin.

Met Kerst doneren veel mensen geld​ (b)   een goed doel.

De leerling wordt betrapt​ (c)   afkijken tijdens de toets.

Of de boot door de gracht kan, hangt af​ (d)   de diepte.

Choose from the below words
met
aan
op
van
in
14.

De rechter behandelt ...

a)

de aanklacht

b)

op heterdaad

c)

officieel

d)

de recensie

15.

Wat kun je opperen?

a)

een idee

b)

een vraag

c)

een beeld

d)

een kenmerk

16.

Hij werkt hard en doet goed zijn best.

a)

Hij is gedupeerd.

b)

Hij is ijverig.

c)

Hij is uitgestrekt.

d)

Hij is opvallend.