wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kerst en Natuurkunde V6

Total questions: 29

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

1. Wat is de formule voor kinetische energie?

a)

KE = 1/2 * m * v^2

b)

KE = m * v^2

c)

KE = 1/2 * v * m^2

d)

KE = m * v / 2

2.

2. Hoeveel kinetische energie heeft een kerstbal van 0,5 kg die met 2 m/s beweegt?

a)

0,5 Joules

b)

4 Joules

c)

1 Joule

d)

2 Joules

3.

3. Wat is de belangrijkste manier van warmteoverdracht bij een kerstmaaltijd?

a)

Geleiding

b)

Verdamping

c)

Convectie

d)

Straling

4.

4. Hoeveel warmte is nodig om 1 kg water van 20°C naar 100°C te verwarmen? (c_p = 4,18 J/g°C)

a)

500000 J

b)

250000 J

c)

400000 J

d)

334400 J

5.

De constante van Planck heeft de letter h als symbool en een numerieke waarde van :

a)

6,6*10-34

b)

9,1*10-31

c)

1,7*10-27

d)

1,6*10-19

6.

Het dubbelspleetexperiment toont aan dat

a)

licht uit fotonen bestaat.

b)

materie golfgedrag vertoont.

c)

elektronen een massa hebben.

d)

neutronen ongeladen deeltjes zijn.

7.

Een materiegolf die bij een deeltje hoort geeft aan

a)

hoe snel een deeltje trilt als gevolg van de temperatuur.

b)

 waar een deeltje zich bevindt.

c)

een maat voor de energie van het deeltje.

d)

een maat voor de kans om een deeltje ergens aan te treffen.

8.

De debroglie-golflengte van een materiedeeltje hangt af van..

a)

alleen de massa van het deeltje.

b)

alleen de snelheid van het deeltje.

c)

alleen de impuls van het deeltje.

d)

alleen de energie van het deeltje.

9.

Een elektron heeft een energie van 20 eV.
De bijbehorende debogliegolflengte is ..

a)

6,2*10-2 m.

b)

2,7*10-10 m.

c)

1,6*10-19 m.

d)

6,6*10-34 m.

10.

De bohrstraal heeft een waarde van 5,3*10-11 m.
De bohrstraal geeft aan:

a)

de straal van een elektron.

b)

de halve diameter van een proton.

c)

de doorsnede van een waterstofatoom.

d)

de gemiddelde afstand van een elektron tot de kern van een waterstoftoom.

11.

Ook in de natuur kun je elektriciteit tegenkomen.

Welk verschijnsel heeft met elektriciteit te maken?

a)

De bliksemflitsen tijdens onweer

b)

De donderslagen tijdens onweer

c)

Het licht van de Zon

d)

De warmte van de zon

12.

De stroomsterkte door en de spanning over een apparaat worden beide twee keer zo groot.

Het vermogen van het apparaat wordt dan

a)

viermaal zo groot

b)

tweemaal zo groot

c)

blijft gelijk

d)

tweemaal zo klein

e)

viermaal zo klein

13.

Een computer met een vermogen van 600 W staat een halfuur aan.

Hoeveel energie gebruikt de computer in deze tijd?

a)

300 kWh

b)

300 J

c)

18 kWh

d)

0,3 J

e)

E   0,3 kWh

14.

Een auto rijdt met een constante snelheid. De wrijvingskrachten leveren 1500 J arbeid per seconden.

De motor van de auto heeft 28% rendement. Wat kan je zeggen over de chemische energie die in de benzine zit die per seconde wordt gebruikt.

a)

De opgeslagen chemische energie is ook 1500 J

b)

De opgeslagen chemische energie is meer dan 1500 J

c)

De opgeslagen chemische energie is minder dan 1500 J

d)

De opgeslagen chemische energie hangt af van de brandstof

15.

Eén op hoeveel?

Een auto rijdt 100 km lang met een constante snelheid van 100 km/h over een horizontale weg van A naar B. Het benzinegebruik bedraagt 8,0 L.

De rit wordt herhaald met een snelheid van 140 km per uur.

De luchtweerstand is evenredig met het kwadraat van de snelheid. Verwaarloos de rolweerstand.

Hoeveel benzine wordt er dan gebruikt?

a)

8,0 L

b)

11,2 L

c)

16,0 L

d)

Is niet te bepalen met de gegeven grootheden

16.

Vallende bal

Een stalen bal van 2,0 kg valt met een constante snelheid door een vloeistof. Hij valt 2,5 m. Neem g =10 m/s2.

Hoe groot is de totale arbeid op de stalen bal?

a)

0 J

b)

50 J

c)

-50 J

d)

100 J

17.

Veer

Je rekt een ideale veer 10 cm uit. De arbeid die je daarvoor moet verrichten is

0,10 J.

Hoeveel arbeid moet je verrichten om de veer vervolgens nog 10 cm verder uit te rekken?

a)

0,10 J

b)

0,20 J

c)

0,30 J

d)

0,40 J

18.

Op een afstand van 0,53 m van een geladen bol bedraagt de veldsterkte 43,0 N/C. Bereken hoe groot de veldsterkte is op een afstand van 0,12 m van de bol.

a)

50,0 N/C

b)

1200,5 N/C

c)

600,2 N/C

d)

839 N/C

19.

Hieronder staan 3 uitspraken over magnetische veldlijnen. Welke van deze uitspraken zijn waar?

A De dichtheid van veldlijnen is een maat voor de sterkte van het veld

B Buiten een magneet lopen veldlijnen van N naar Z

C Veldlijnen lopen altijd op dezelfde afstand van elkaar

a)

A

b)

A, B

c)

A, B, C

d)

Geen

20.

Een stroomdraad loopt verticaal door een horizontaal magneetveld van 30 mT en ondervindt hierbij een lorentzkracht van 0,22 N. De lengte van het stukje draad dat zich in het magneetveld bevindt is 60 cm. Bereken de stroomsterkte door de draad.

a)

12,22 A

b)

8,75 A

c)

5,00 A

d)

15,50 A

21.

In een dynamo wordt spanning opgewekt door één van de spoelen met hieronder aangegeven aantal wikkelingen te laten draaien binnen een magneetveld (zie schematische tekening hierboven). In 6,0 ms stijgt de magnetische flux in de spoel met 4,5·10-5 Wb. De spanning die op dit moment opgewekt wordt is 0,38 V. Bereken welke spoel gebruikt is.

a)

50 wikkelingen

b)

100 wikkelingen

c)

75 wikkelingen

d)

30 wikkelingen

22.

Wat is de oorsprong van de kerstboomtraditie?

a)

Germaanse gebruiken

b)

Christelijke tradities

c)

Oude Griekse rituelen

d)

Oude Romeinse feesten

23.

Welke kleur heeft de traditionele kerstman in de meeste culturen?

a)

Geel

b)

Blauw

c)

Groen

d)

Rood

24.

Wat is het belangrijkste ingrediënt van een traditionele kerstpudding?

a)

Suiker

b)

Chocolade

c)

Gedroogd fruit

d)

Meel

25.

In welk land is het gebruikelijk om op kerstavond een grote maaltijd te hebben met vis? A) Italië B) Nederland C) Duitsland

a)

B) Spanje

b)

C) Frankrijk

c)

C) België

d)

A) Italië

26.

In welk land vieren ze 'La Nochebuena' met een groot feest op 24 december? A) Spanje B) Frankrijk C) Zweden

a)

D) Italië

b)

A) Spanje

c)

F) Griekenland

d)

E) Portugal

27.

Welke kerstfilm gaat over een jongen die per ongeluk alleen thuis wordt gelaten? A) The Grinch B) Home Alone C) Elf

a)

Home Alone

b)

The Polar Express

c)

A Christmas Carol

d)

Jingle All the Way

28.

Welk ludiek feitje gaat over de kerstman? A) Hij heeft een huisdier B) Hij is een astronaut C) Hij heeft een eigen postcode

a)

F) Hij heeft een eigen winkel

b)

D) Hij is een superheld

c)

E) Hij rijdt op een motor

d)

C) Hij heeft een eigen postcode

29.

Wat is het meest ongebruikelijke kerstcadeau dat ooit is gegeven? A) Een sok B) Een cactus C) Een luchtballon

a)

Een boek

b)

C) Een luchtballon

c)

Een puzzel

d)

Een plant