wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

WEZO4 T2 Warmteleer

Total questions: 26

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent temperatuur?

a)

De maat voor de gemiddelde snelheid van de deeltjes.

b)

De maat voor de hoeveelheid afgestane warmte-energie.

c)

De maat voor de laagste snelheid van de deeltjes.

2.

Wat betekent de warmtehoeveelheid?

a)

De temperatuursverandering tussen 2 stoffen.

b)

De hoeveelheid energie die uitgewisseld wordt als gevolg van een temperatuurverschil.

c)

De hoeveelheid energie die uitgewisseld wordt, niet ten gevolge van temperatuurverschil.

3.

Wat is een vorm van energietransport met merkbare verplaatsing van materie?

a)
geleiding
b)

stroming/convectie

c)

straling

4.
Thermische energie gaat steeds:
a)

van een voorwerp met een hoge temperatuur naar een voorwerp met een lage temperatuur.

b)

van een voorwerp met een lage naar een hoge temperatuur.

c)
van een voorwerp met een lage naar een hoge kinetische energie
d)

van een voorwerp met een grote massa naar een voorwerp met een kleine massa.

5.

Het is een mooie zomerdag. Op welke bank ga je het best zitten?

a)

Houten bank

b)

Ijzeren bank

c)

Maakt niet uit

6.

Welke faseovergang zie je op de afbeelding?

a)

smelten

b)

verdampen

c)

condenseren

d)

sublimeren

7.

Door welke vorm van energietransport verbrand je als je in de zon loopt?

a)
geleiding
b)
straling
c)
stroming
8.

Wat is verdampen?

a)

Van gas naar vloeibaar

b)

Van gas naar vast

c)

Van vast naar gas

d)

Van vloeibaar naar gas

9.

Bij een hogere temperatuur gaan deeltjes

a)

groter worden

b)

sneller bewegen

c)

trager bewegen

d)

kleiner worden

10.

De geur van een stuk zeep kan je waarnemen doordat de zeep ...

a)

smelt

b)

verdampt

c)

sublimeert

d)

condenseert

e)

desublimeert

11.

De natuurkundige die zijn temperatuurschaal baseerde op het smelt- en kookpunt van water was:

a)

Celcius

b)

Fahrenheit

c)

Kelvin

d)

Rèamour

12.

Warmtetransport in vloeistoffen vindt plaats via:

a)

geleiding

b)

overbrenging

c)

straling

d)

stroming

13.

Hoeveel graden Celsius is het absolute nulpunt?

(a)  

14.

De faseovergang van vast naar gas heet

(a)  

15.

De faseovergang van vloeibaar naar gas heet

(a)  

16.

Wat is de fase-overgang van gas naar vloeibaar?

a)

Smelten

b)

Stollen

c)

Condenseren

d)

Vervluchtigen

17.

"Kaarsvet wordt vloeibaar tijdens het branden van een kaars." Welke faseovergang is dit?

a)
stollen
b)
smelten
c)
verdampen
d)
bevriezen
18.

Als je water van 16°C verwarmt tot 88°C dan zal het wel uitzetten maar niet verdampen.

a)

waar

b)

niet waar

c)

geen idee

19.

Welke fase worden hier afgebeeld van links naar rechts?

a)

vast-vloeibaar-gas

b)

gas-vloeibaar-vast

c)

vast-gas-vloeibaar

d)

Uit deze afbeelding kan ik geen fase aflezen

20.

Hoe wordt water in de vaste fase genoemd?

a)

Water

b)

IJs

c)

Waterdamp

21.

Wat gebeurt er met de moleculen als een stof bevriest?

a)

Ze bewegen sneller.

b)

Ze bewegen langzamer.

c)

Ze blijven stil staan.

22.

In een bakje zit water en ijs in thermisch evenwicht. Wat is de temperatuur?

a)

-1 °C

b)

0 °C

c)

0,1 °C

d)

1 °C

23.

Wanneer waterdamp meteen ijs wordt heet dit …

a)

Condenseren

b)

Desublimeren

c)

Sublimeren

d)

Decondenseren

24.

Welke stof heeft de meeste energie nodig om 1 gram van een stof 1 ℃ te verwarmen?

a)

IJzer

b)

Olijfolie

c)

Hout

d)

Water

25.
Een stof met een hoge specifieke warmtecapaciteit:
a)
is altijd zeer warm.
b)
heeft veel energie nodig om 'op te warmen'
c)
is licht
d)
heeft weinig energie nodig om op te warmen
26.
Welke vorm van warmtetransport wordt voorgesteld door elk nummer?
a)
1: geleiding
2: straling
3:stroming
b)
1: geleiding
2: stroming
3:straling
c)
1:stroming
2:geleiding
3:straling
d)
1:straling
2:stroming
3:geleiding