wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets Meet- en Regeltechniek – Meerkeuze (Niveau 4)

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de primaire functie van een proportionele (P-) regelaar?

a)

Het wegnemen van de statische afwijking

b)

Reageren op veranderingen van de PV in de tijd

c)

Een uitgangssignaal leveren evenredig met de afwijking

d)

Het voorspellen van toekomstige afwijkingen

2.

Wat wordt bedoeld met de term BIAS bij een regelaar?

a)

De maximale versterking van de regelaar

b)

Een vaste voorinstelling van de uitgang

c)

De integratietijd van de regelaar

d)

De proportionele band

3.

Wanneer is een regelaar omgekeerd werkend?

a)

Als de OUT stijgt bij een stijgende PV

b)

Als de OUT gelijk blijft bij een PV-verandering

c)

Als de OUT daalt bij een stijgende PV

d)

Als de OUT alleen reageert op storingen

4.

Wat is een belangrijk nadeel van alleen P‑regeling?

a)

Trage regeling

b)

Oscillatie door D‑actie

c)

Versterking van ruis

d)

Statische afwijking

5.

Wat gebeurt er bij een te grote regelaarsversterking (Kr)?

a)

De regeling wordt altijd stabieler

b)

De statische afwijking neemt toe

c)

De proportionele band wordt groter

d)

De kans op oscillatie neemt toe

6.

Wat is de relatie tussen proportionele band (PB) en Kr?

a)

Grote PB → grote Kr

b)

Kleine PB → kleine Kr

c)

PB en Kr zijn omgekeerd evenredig

d)

PB en Kr zijn onafhankelijk

7.

Waar reageert de I‑actie primair op?

a)

De verandering van de PV

b)

De fout (PV − SP) in de tijd

c)

De absolute waarde van de PV

d)

De snelheid van de foutverandering

8.

Wat is het effect van een kleinere integratietijd (Ti)?

a)

Kleinere I‑actie

b)

Langzamere regeling

c)

Grotere I‑actie

d)

Geen invloed op de regeling

9.

Wat wordt bedoeld met automatic reset?

a)

D‑actie die automatisch stopt

b)

Beperking van de OUT tot 0–100%

c)

Herhaling van de P‑actie door I‑actie

d)

Automatisch aanpassen van Kr

10.

Wanneer gedraagt een PI‑regelaar zich als een P‑regelaar?

a)

Bij kleine PB

b)

Bij grote Ti

c)

Bij grote Kr

d)

Bij kleine D‑tijd

11.

Wat is een mogelijk nadeel van een te kleine I‑tijd?

a)

Statische afwijking

b)

Trage respons

c)

Geen reset

d)

Oscillatie van het proces

12.

Waarop reageert de D‑actie?

a)

De fout (PV − SP)

b)

De absolute PV

c)

De verandering van de PV in de tijd

d)

De statische afwijking

13.

Waarom wordt D‑actie vaak beperkt toegepast?

a)

Omdat deze traag is

b)

Omdat D‑actie de statische fout vergroot

c)

Omdat D‑actie alleen bij PI‑regelaars werkt

d)

Omdat D‑actie ruis en oscillaties kan versterken

14.

Wat betekent een grotere differentiatietijd (Td)?

a)

Kleinere D‑actie

b)

Grotere D‑actie

c)

Snellere I‑actie

d)

Langzamere P‑actie

15.

Wat gebeurt er als I‑ en D‑actie beide uitgeschakeld zijn?

a)

De regelaar werkt als PI

b)

De regelaar werkt als PID

c)

De regelaar werkt als P

d)

De regelaar werkt niet meer

16.

Wat is doorschot bij een regelkring?

a)

De tijd tot stabiliteit

b)

De verhouding tussen twee pieken

c)

De blijvende fout

d)

Het overschrijden van de eindwaarde

17.

Hoe wordt demping gedefinieerd?

a)

Tijd tot bereiken van SP

b)

Verhouding tussen eerste en tweede doorschot

c)

Hoogte van het eerste doorschot

d)

Versterking van de regelaar

18.

Wat is een acceptabele waarde voor doorschot in veel processen?

a)

5%

b)

10%

c)

15%

d)

40%

19.

Wat is de inregeltijd?

a)

Tijd tot eerste overshoot

b)

Tijd tot eerste PV‑verandering

c)

Tijd tot stabiel binnen toleranties

d)

Tijd van de D‑actie

20.

Welke proceseigenschap vergroot de kans op oscillatie?

a)

Kleine voortplantingstijd

b)

Grote voortplantingstijd

c)

Kleine procesversterking

d)

Lage traagheid

21.

Wat betekent een regelaarsversterking Kr = 5?

a)

De OUT is altijd 5%

b)

De PB is 5%

c)

De PV wordt vijf keer sneller

d)

De OUT verandert 5× zo sterk als de PV‑afwijking

22.

Wat is regelgedrag?

a)

Reactie op een storing

b)

Reactie op een verandering van SP

c)

Reactie op ruis

d)

Reactie op D-actie

23.

Wat is stoorgedrag?

a)

Verandering door SP-aanpassing

b)

Verandering door interne regeling

c)

Verandering door externe invloeden

d)

Verandering door D-actie

24.

Welke component meet de proceswaarde?

a)

Regelaar

b)

Corrigerend orgaan

c)

Transmitter

d)

Proces

25.

Wat is de functie van het corrigerend orgaan?

a)

Meten van PV

b)

Vergelijken van SP en PV

c)

Omzetten van signaal naar actie

d)

Opslaan van meetgegevens

26.

Wat gebeurt er bij een te kleine PB?

a)

Kleine P-actie

b)

Grote P-actie

c)

Geen I-actie

d)

Langzame regeling

27.

Welke regelaar wordt in de praktijk het meest toegepast?

a)

P

b)

PD

c)

PID

d)

PI

28.

Waarom wordt I-actie toegepast?

a)

Om ruis te verminderen

b)

Om overshoot te beperken

c)

Om statische afwijking op te heffen

d)

Om PV sneller te laten veranderen

29.

Wat is een gevaar van D-actie?

a)

Statische fout

b)

Trage regeling

c)

Versterking van ruis

d)

Verlies van meetgebied

30.

Je verhoogt 's ochtends het setpoint van de verwarming. Wat is dit?

a)

Stoorgedrag

b)

Oscillatie

c)

Demping

d)

Regelgedrag