wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

quiz mavo 4 regeling en gedrag

Total questions: 52

Worksheet time: 49mins

Name
Class
Date
1.

Reukzintuigcellen vangen geuren op en zetten deze om in impulsen die naar de hersenen worden geleid.

→Waar in de hersenen worden deze impulsen verwerkt tot een bewuste waarneming van geur?

a)

in de grote hersenen

b)

in de hersenstam

c)

in de kleine hersenen

2.

Welk type zenuwcellen bevindt zich in de gemengde zenuwen?

a)

type 1 en 2

b)

type 1 en 3

c)

type 2 en 3

d)

type 1, 2 en 3

3.

In welke richting verlopen de impulsen in een zenuwcel van type 1: in de richting van P of in de richting van Q?

a)

Richting P

b)

Richting Q

4.

In afbeelding 2 zie je de ligging van hormoonklieren bij een vrouw.

Welke hormoonklier wordt aangegeven met nummer 2?

a)

alvleesklier

b)

bijnieren

c)

hypofyse

d)

schildklier

5.

In afbeelding 3 zie je een zenuwcel.

→Wat wordt aangegeven met nummer 1?

a)

Uitloper

b)

Cellichaam

6.

Jongleren stimuleert groei van witte stof

Het oefenen op jongleren stimuleert de groei van witte stof in de hersenen. Dat hebben Duitse wetenschappers aangetoond.

Onderzoekers van het universitair medisch centrum Hamburg-Eppendorf lieten twaalf mannen en twaalf vrouwen elke dag een halfuur oefenen met jongleerballen.

Na zes weken maakten de onderzoekers een hersenscan van alle proefpersonen.

Uit onderzoek bleek dat er opvallend veel witte stof was aangegroeid in de hersenen van de jongleerders.

Welke rol spelen de kleine hersenen tijdens het jongleren?

a)

coördineren van bewegingen

b)

impulsen geleiden van ruggenmerg naar grote hersenen

c)

regelen van hartslag en ademhaling

d)

verwerken van impulsen afkomstig van zintuigen

7.

Jongleren stimuleert groei van witte stof

Het oefenen op jongleren stimuleert de groei van witte stof in de hersenen. Dat hebben Duitse wetenschappers aangetoond.

Onderzoekers van het universitair medisch centrum Hamburg-Eppendorf lieten twaalf mannen en twaalf vrouwen elke dag een halfuur oefenen met jongleerballen.

Na zes weken maakten de onderzoekers een hersenscan van alle proefpersonen.

Uit onderzoek bleek dat er opvallend veel witte stof was aangegroeid in de hersenen van de jongleerders.

Over de tekst worden drie beweringen gedaan.

→Geef aan welke bewering juist is

a)

Jongleren is een reflex.

b)

Bij jongleren is de hersenstam betrokken.

c)

Tijdens het jongleren geleidt het ruggenmerg impulsen.

8.

Jongleren stimuleert groei van witte stof

Het oefenen op jongleren stimuleert de groei van witte stof in de hersenen. Dat hebben Duitse wetenschappers aangetoond.

Onderzoekers van het universitair medisch centrum Hamburg-Eppendorf lieten twaalf mannen en twaalf vrouwen elke dag een halfuur oefenen met jongleerballen.

Na zes weken maakten de onderzoekers een hersenscan van alle proefpersonen.

Uit onderzoek bleek dat er opvallend veel witte stof was aangegroeid in de hersenen van de jongleerders.

Welk type zenuwcellen is aangegroeid tijdens het oefenen met jongleren? Leg je antwoord uit.

a)

Schakelcellen

b)

Bewegingszenuwcellen

c)

Gevoelszenuwcellen

9.

Bij kinderverlamming (polio) kunnen de spieren soms niet goed meer samentrekken. De spierverlammingen ontstaan wanneer de ziekteverwekker (het poliovirus) een bepaald type zenuwcel aantast. Bekend is dat schakelcellen niet gevoelig zijn voor het virus.

In afbeelding 5 zie je de dwarsdoorsnede van het ruggenmerg.

→Op welke van de aangegeven plaatsen liggen de cellichamen van de zenuwcellen die door het poliovirus kunnen worden aangetast?

a)

op plaats 1

b)

op plaats 2

c)

op plaats 3

d)

op plaats 4

10.

In welke hormoonklier wordt insuline geproduceerd?

a)

Alvleesklier (eilandjes van Langerhans)

b)

Hypofyse

c)

Schildklier

d)

Bijnieren

11.

Wanneer er fel licht op je ogen valt, worden de pupillen kleiner. Dit heet de pupilreflex.

→Via welk deel van het centrale zenuwstelsel verlopen de impulsen bij de pupilreflex?

a)

via de grote hersenen

b)

via de hersenstam

c)

via de kleine hersenen

d)

via het ruggenmerg

12.

Wat wordt aangegeven met letter P?

a)

Uitloper

b)

Cellichaam

c)

Schakelcel

13.

Een vrouw slikt pijnstillers.

→Geeft dit type zenuwcel daardoor meer of minder impulsen door? Verklaar je antwoord.

a)

Meer want...

b)

Minder want....

14.

Wat is geen onderdeel van het centraal zenuwstelsel?

a)

Hersenen

b)

Zenuwen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

15.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

16.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

17.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

18.

Waar bevindt zich het ruggenmerg?

a)

In de schedel

b)

In de wervelkolom

c)

In je bekken

d)

In je opperarmbeen

19.

Waar liggen de cellichamen van de schakelcellen en de bewegingscellen?

a)

In de grijze stof

b)

In de witte stof

c)

In de ruggenmergzenuw

d)

In de zenuwknoop

20.
Wat is een bewuste reactie?
a)
Schrikken
b)
Terugduwen 
c)
Knipperen met je ogen
d)
Ademen
21.
Wat is een reflex?
a)
Vaste, snelle, onbewuste reactie
b)
Trage reactie
c)
Bewuste reactie
22.
Wat is een voorbeeld van een reflex?
a)
Terugduwen
b)
Trappen tegen een bal
c)
Kijken naar een film
d)
Het knipperen van je ogen
23.
Wat is geen hormoonklier?
a)
Schildklier
b)
Bijnieren
c)
Hypofyse
d)
Borstklier
24.
Waar hebben de hormonen geen invloed op?
a)
Groei en ontwikkeling van het lichaam
b)
Op de stofwisseling
c)
Huidskleur
d)
Op de voortplanting
25.
Waarvoor zorgt hypofyse? 
a)
Speeksel aanmaak
b)
Haargroei
c)
Botgroei
d)
Hersengroei
26.
Een persoon heeft een trage werkende schildklier. Wat gebeurt er met zo'n iemand? 
a)
Zo'n persoon word rusteloos
b)
Zo'n persoon vermagert sterk
c)
Bij zo'n persoon is de verbranding van cellen laag.
d)
Bij zo'n persoon is er veel verbranding van de cellen
27.
Welk hormoon produceren die bijnieren?
a)
Adrenaline
b)
Groeihormoon
c)
Insuline 
d)
Geslachshormonen
28.

Hormonen zijn altijd heel langzaam.

Wat zorgt er voor dat het hormoon Adrenaline wel heel snel effect heeft.

a)

Het is een klein hormoon.

b)

Je krijgt het in één keer heel veel in je bloed.

c)

Het is een groot hormoon.

d)

Overal in je lichaam wordt Adrenaline geproduceerd.

29.

Wat is de taak van:

bewegingszenuwcellen?

a)

impulsen van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel sturen

b)

impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren sturen

c)

impulsen sturen (doorgeven) binnen het centrale zenuwstelsel

30.

De tekening geeft schematisch de bouw weer van een bepaalde klier met aan- en afvoerwegen in het lichaam van de mens.

Voor welke van de volgende klieren kan dit schema gelden?

a)

voor een bijnier

b)

voor een eilandje van Langerhans

c)

voor de schildklier

d)

voor een talgklier

31.
Waar hebben mensen met diabetes last van?
a)
De eilandjes van Langerhals produceren te weinig  insuline 
b)
Deze mensen hebben last van dwerggroei
c)
Deze mensen hebben een struma
d)
Het bloed is bij deze mensen te dik, waardoor het niet goed kan stromen
32.
Waaruit bestaat het centrale zenuwstelsel?
a)

hersenzenuwen
b)

hersenen en ruggenmerg
c)

wervels en ruggenmerg
d)

grote en kleine hersenen
33.
Wat wordt er bedoeld met impuls?
a)
een prikkel
b)
een seintje naar de hersenen
c)
een reflex
d)
een handeling
34.
Waar staat de juiste volgorde van gebeurtenis?
a)
impuls-prikkel-hersenen
b)
hersenen-prikkel-impuls
c)
impuls-hersenen-prikkel
d)
prikkel-impuls-hersenen
35.

Sommige prikkels, roepen altijd hetzelfde gedrag op.

Dit heet een....

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

36.

Het op rood springen van een stoplicht waardoor je gaat remmen is een voorbeeld van een....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

37.

een prikkel die sterker is dan een normale sleutelprikkel. Deze prikkels hebben een onweerstaanbare invloed op het gedrag van de prikkelontvanger

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

38.

Gedrag met als functie het afbakenen van een 'leefruimte' en het verdedigen ervan tegen binnendringende soortgenoten.

a)

Conflictgedrag

b)

Imponeergedrag

c)

Baltsgedrag

d)

Territoriumgedrag

39.

Dit is gedrag dat aan de paring vooraf gaat en uiteindelijk de kans op paren vergroot.

a)

Conflictgedrag

b)

Imponeergedrag

c)

Baltsgedrag

d)

Territoriumgedrag

40.

Je ziet hier een voorbeeld van....

a)

Conflictgedrag

b)

Imponeergedrag

c)

Baltsgedrag

d)

Territoriumgedrag

41.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

Aangeboren gedrag

b)

Aangeleerd

gedrag

42.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

Aangeboren gedrag

b)

Aangeleerd

gedrag

43.

(a)   gedrag is erfelijk bepaald, al vanaf de geboorte en hoeft niet door ouders worden aangeleerd.

44.

Hiernaast zie je een voorbeeld van een....

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

45.

Volwassen meeuwen hebben een rode stip op de onderkant van hun snavel. De jonge vogels openen bij het zien van deze stip altijd direct hun snaveltjes om gevoerd te kunnen worden.

Dit is een voorbeeld van een....

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

46.

De uitspraak van de moeder: “Je mag geen speelgoed naar iemands hoofd gooien!” is een voorbeeld van:

a)

een norm

b)

een waarde

c)

een regel zonder betekenis

d)

een straf

47.

Welke zin in het verhaal van Imke is een voorbeeld van een impuls?

a)

Vervolgens gaat er een seintje van het reukzintuig naar haar hersenen.

b)

Imke heeft een hongergevoel.

c)

De geur van chocolade komt haar neus binnen.

d)

Haar spieren trekken samen om de chocolade naar haar mond te brengen.

48.

Welke van de volgende uitspraken is een observatie van het gedrag?

a)

De leerling kijkt uit het raam tijdens de les.

b)

De leerling is waarschijnlijk verveeld.

c)

De leerling vindt de les niet interessant.

d)

De leerling denkt aan iets anders.

49.

De tijger ruikt het vlees als hij door de brandende hoepel springt. Van welke reactie is hier sprake?

a)

Van een aangeboren reactie.

b)

Van een aangeleerde reactie.

c)

Van een gedragssketen.

50.

Het heideblauwtje is een vlinder. Als het paringstijd is, dan achtervolgt het mannetje een vrouwtje. Hij vliegt om haar heen en geeft geurstoffen af. Dan gaat hij naast haar zitten en paren ze. Uiteindelijk vliegt het mannetje weg.

a)

Gedragsketen.

b)

Motivatie.

c)

Prikkel.

d)

Respons.

51-60.
51.

Wat wordt in de tekst omschreven als 'alles wat een mens of dier doet'?

a)

Planten

b)

Schimmels

c)

Gedrag

d)

Bacteriën

52.

Wat zijn voorbeelden van prikkels van buitenaf volgens de tekst?

a)

Geur

b)

Licht

c)

Geluid

d)

Honger

53.

Wat gebeurt er nadat impulsen in de hersenen worden verwerkt volgens de tekst?

a)

Ze worden omgezet naar impulsen

b)

Ze bepalen het gedrag

c)

Ze worden genegeerd

d)

Ze gaan naar de zenuwen

54.

Wat wordt bedoeld met 'gedragsketen' in de tekst?

a)

Een individuele handeling

b)

Een serie handelingen in een vaste volgorde

c)

Een spontane reactie

d)

Een willekeurige reeks acties

55.

Wat is een voorbeeld van een gedragsketen volgens de tekst?

a)

Zwemmen

b)

Skaten

c)

Slapen

d)

Eten

56.

Wat is een ethogram volgens de tekst?

a)

Een lijst met handelingen van een dier

b)

Een lijst met voedselvoorkeuren

c)

Een beschrijving van het weer

d)

Een overzicht van planten

57.

Wat is het doel van een protocol bij gedragsobservatie volgens de tekst?

a)

Het beïnvloeden van het dier

b)

Het vastleggen van handelingen

c)

Het maken van een ethogram

d)

Het observeren van de omgeving

58.

Wat moet je vermijden tijdens het observeren van dieren volgens de tekst?

a)

Notities maken

b)

Objectief blijven

c)

Aandachtig kijken

d)

Emoties projecteren

59.

Wat is het belangrijkste aspect van een gedragsonderzoek volgens de tekst?

a)

Het beïnvloeden van het gedrag

b)

Het maken van een ethogram

c)

Het observeren van mensen

d)

Het observeren van dieren

60.

Wat is de essentie van gedragsketens volgens de tekst?

a)

Een willekeurige volgorde van handelingen

b)

Een vaste volgorde van handelingen

c)

Een spontane reactie

d)

Een individuele handeling

61.

Je noteert alle handelingen die een aap doet gedurende een kwartier. Je maakt een

a)

Ethogram

b)

Protocol

c)

Tabel

d)

Diagram