Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V6 H1 Landschappen

Total questions: 47

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Het bovenste deel van de grond waar planten wortelen en dat in meer of mindere mate is verkleurd door organisch materiaal en uitspoeling.

(a)  

2.

De onderdelen van een landschap die op elkaar inwerken en samen de processen aan en het uiterlijk van het aardoppervlak bepalen.

(a)  

3.

Een zeer groot natuurlijk gebied waarvan de aard bepaald wordt door de unieke combinatie van de geofactoren.

(a)  

4.

Landschapszone gekenmerkt door grote verschillen in temperatuur tussen zomer en winter, waarbij de winters koud zijn. Er groeit hoofdzakelijk naaldwoud.

(a)  

5.

Landschapszone gekenmerkt door milde winters, koele zomers en voldoende vocht, waardoor er loofbossen groeien. Momenteel dichtbevolkt en in hoge mate in gebruik door de landbouw.

(a)  

6.

Vorm van landbouw waarbij grote oppervlakten worden aangeplant met een gewas.

(a)  

7.

Het verschil tussen de hoeveelheid neerslag en de hoeveelheid verdamping.

(a)  

8.

De landschapszone op hoge breedte waar het groeiseizoen erg kort is en geen bomen voorkomen, omdat de zomertemperatuur onder de 10 graden ligt.

(a)  

9.

Landschapszone rond de evenaar, gekenmerkt door tropisch regenwoud en savanne.

(a)  

10.

Landschapszone gekenmerkt door een lage nuttige neerslag, waardoor woestijn en steppe overheersen.

(a)  

11.

Het wegspoelen of wegwaaien van de vruchtbare grond.

(a)  

12.

Met behulp van buizen versneld afvoeren van water.

(a)  

13.

Landgebruik waarbij de volgende generaties geen nadelen ondervinden.

(a)  

14.

Het opbrengen van water om natuurlijke vochttekorten te verminderen.

(a)  

15.

Aantasting van landschap en bodem waardoor het vermogen van het gebied m natuurlijk hulpbronnen te produceren daalt.

(a)  

16.

Het maximum aan activiteiten dat in een gebied kan plaatsvinden zonder schade aan te richten.

(a)  

17.

Landschapszone op de overgang van de aride naar de gematigde zone met een mediterraan klimaat. Kenmerkend is de droogteresistente vegetatie.

(a)  

18.

Akkerbouw waarbij de boeren een vaste woonplaats hebben.

(a)  

19.

Veeteelt waarbij de veeboeren geen vaste woonplaats hebben.

(a)  

20.

Wat is de beste omschrijving van verwering?

a)

Het slijten en wegspoelen van materiaal.

b)

Het uit elkaar vallen en afbreken van materiaal.

c)

Het omlaag vallen van materiaal.

d)

Het op elkaar stapelen van natuurlijk materiaal.

21.
Waardoor is een karstgebied ontstaan?
a)
Biologische verwering
b)
Chemische verwering
c)
Mechanische verwering
d)
Vorstverwering
22.

Er zijn 6 landschapszones op aarde gebaseerd op temperatuur en neerslag. Welke vegetatie vind je bij de landschapszone met de omschrijving 'droog en koud'?

a)

droge woestijn

b)

koele woestijn

c)

taiga

d)

toendra

23.

Er zijn 6 landschapszones op aarde gebaseerd op temperatuur en neerslag. Wat zijn kenmerken van de (semi)aride zone?

a)

droog en koud

b)

droog en warm

c)

nat en koud

d)

nat en warm

24.

In welke landschapszone vind je het mangrovebos?

a)

aride zone

b)

boreale zone

c)

subtropische zone

d)

tropische zone

25.

Welk type vegetatie vind je NIET in een subtropische zone?

a)

droogteminnend struikgewas

b)

loofbomen

c)

naaldbomen

d)

(sub)tropische oerwouden

26.

Waar op aarde vind je de gematigde zone?

a)

Rond de evenaar

b)

Tussen de 23º30' NB en de 23º30' ZB.

c)

Tussen de 30º- 55 º NB en de 30º- 55 º ZB.

d)

Tussen de 66º30' NB tot 90º NB en de 66º30' ZB tot 90º ZB.

27.

Welke klimaatgrafiek past het beste bij de gematigde zone?

a)
b)
c)
d)
28.

Waar op aarde vind je de boreale zone?

a)

Rond de evenaar

b)

Tussen de 23º30' NB en de 23º30' ZB.

c)

Rond de 66º30' NB en 66º30' NB

d)

Tussen de 66º30' NB tot 90º NB en de 66º30' NB tot 90º ZB.

29.

De bodem in de polaire zone kenmerkt zich door :

a)

gebrek aan horizonten

b)

kalkrijke humuslaag

c)

oerbank

d)

permafrost

30.

Welke klimaatgrafiek past het beste bij de polaire zone?

a)
b)
c)
d)
31.

Door klimaatverandering kunnen klimaatzones opschuiven richting het:

a)

noorden

b)

oosten

c)

westen

d)

zuiden

32.

Welke vorm van landdegradatie zie je op de foto?

a)

bodemerosie

b)

verwoestijning

c)

verzilting

d)

geen van allen

33.

Wat is GEEN oorzaak voor verwoestijning?

a)

braak laten liggen van de grond(je laat het een tijdje rusten)

b)

ontbossing

c)

overbeweiding

d)

toename windkracht

34.

Wat is de beste manier om verwoestijning tegen te gaan?

a)

aanleggen van een terrassenlandschap

b)

druppelirrigatie

c)

herbebossing/herbeplanting

d)

verkleinen veestapel

35.

Wat is de beste manier om verzilting tegen te gaan?

a)

aanleggen van een terrassenlandschap

b)

druppelirrigatie

c)

herbebossing/herbeplanting

d)

verkleinen veestapel

36.

In welke landschapszone zal verzilting vaak voorkomen?

a)

aride zone

b)

boreale zone

c)

gematigde zone

d)

tropische zone

37.

Bepaal het vegetatietype: Te droog om bomen te laten groeien

a)

toendra

b)

hardbladige vegetatie

c)

taiga

d)

steppe

38.

In welke zone is de meeste kans op erosie door de wind?

a)

Boreale zone

b)

Subtropische zone

c)

Aride zone

d)

Gematigde zone

39.

Wat voor type neerslag is hier zichtbaar?

a)

stuwingsregen

b)

stijgingsregen

c)

frontale regen

40.

Welk landschapstype zie je hier?

a)

taiga

b)

toendra

c)

steppe

41.

Hoe koud is het hier gemiddeld in de winter?

a)

Altijd kouder dan 10 graden

b)

Gemiddeld warmer dan -3 graden

c)

Gemiddeld kouder -3 graden

d)

Gemiddeld 0 graden

42.

Tussen welke graden ligt de (luchtstreek) tropen

a)

0 - 23,5 NB

b)

23,5 NB en 23,5 ZB

c)

30 NB en 30 ZB

43.

Waarom zijn er droge gebieden

a)

Opdat het er te warm is

b)

Door dalende lucht die meer vocht kan bevatten

c)

Omdat de lucht opstijgt en er veel vocht verdampt

d)

Omdat er weinig wolken zijn

44.

Waar liggen de tropische regenwouden?

a)

Op lage breedte

b)

Op hoge breedte

45.

Welk landschapstype zie je hieronder?

a)

Steppe

b)

Woestijn

c)

Taiga

d)

Savanne

46.

Waarom wonen er weinig mensen in de tropen?

a)

Het regent er teveel

b)

De grond is onvruchtbaar

c)

Er zijn teveel gevaarlijke dieren

47.

Waarom is de Sahel kwetsbaar?

a)

Omdat er vaak teveel neerslag valt

b)

de neerslag in onbetrouwbaar en door overbeweiding

c)

door de groene muur