wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woorden KERN Nederlands: Lessen 14-21

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent bestempelen?

a)

weergave met woorden

b)

zacht en lief

c)

seksuele voorkeur

d)

zo noemen

2.

Wat is de levensecht?

a)

uitbeelding van iemands leven

b)

wat de werkelijkheid goed weergeeft

c)

niet eerlijk zijn

d)

zich richten op iets

3.

Wat betekent de vertolking?

a)

weergave van je gevoel met woorden

b)

ingewikkelde acties uitvoeren

c)

een zware belasting of groot probleem

d)

tijd die een omroep krijgt

4.

Wat betekent ambitie?

a)

het verlangen om hogerop te komen

b)

met luide stem spreken

c)

zich verbergen achter iets

d)

een vlog bijhouden

5.

Wat betekent financieel?

a)

plechtige gebeurtenis

b)

zachtjes zonder vlammen branden

c)

tijd om uit te zenden

d)

wat met geld te maken heeft

6.

Wat is het aluminium volgens de lijst?

a)

niet-magnetisch, licht metaal

b)

slank en flink gebouwd

c)

onderdeel van het leger

d)

de manier van voordragen

7.

Wat betekent bar in deze woordenschat?

a)

heel erg (koud)

b)

ergens achter verbergen

c)

vervelend meebeleven

d)

plaats, standpunt

8.

Wat doet een adjudant?

a)

nieuwsgierig kijken

b)

stemmen laten horen

c)

onderofficier zijn

d)

verslag vertellen

9.

Wat betekent mentaal?

a)

als het met denken en voelen te maken heeft

b)

met luide stem praten

c)

in de smaak vallen

d)

plechtige gebeurtenis

10.

Wat betekent tolereren?

a)

ermee instemmen, zeggen dat het mag

b)

iemand in de rede vallen

c)

zich richten op iemand

d)

met luide stem praten

11.

Wie is de communist volgens de lijst?

a)

aanhanger van gelijk verdelen

b)

leider van een gesprek

c)

onderdeel van het leger

d)

degene die verslag inspreekt

12.

Wat betekent loeren?

a)

nieuwsgierig kijken terwijl je zelf niet gezien wilt worden

b)

de manier van voordragen

c)

tijd die een zender krijgt

d)

weergave met woorden

13.

Wat betekent misleiden?

a)

ontvangen worden

b)

duidelijk worden

c)

niet eerlijk zijn, bedriegen

d)

ingewikkelde acties uitvoeren

14.

Wie is de gespreksleider?

a)

degene die verslag inspreekt

b)

iemand in de rede valt graag

c)

degene die een gesprekskussen anderen leidt

d)

iemand die een vlog bijhoudt

15.

Wat betekent naar voren komen in praten?

a)

in de smaak vallen

b)

iemand minderwaardig vinden

c)

zich richten op iets

d)

duidelijk worden

16.

Wat betekent interruptie plegen?

a)

een plechtige gebeurtenis

b)

iemand in de rede vallen

c)

onderdeel van het leger

d)

een vlog bijhouden

17.

Wat is de gelegenheid bij een speech?

a)

nieuwsgierig kijken

b)

zacht en liefdevol voelen

c)

plaats of standpunt

d)

plechtige, feestelijke gebeurtenis

18.

Wat betekent overkomen bij spreken?

a)

met luide stem praten

b)

ontvangen worden

c)

zich verbergen achter

d)

iemand minderwaardig vinden

19.

Welke twee passen bij discussieprogramma’s? (Kies twee)

a)

bar: heel erg warm

b)

brigade: onderdeel van het leger

c)

gespreksleider: degene die een gesprek leidt

d)

debatteren: in het openbaar gedachten wisselen

20.

Wat betekent smoezen in deze lijst?

a)

ernstig instemmen met een plan

b)

zachtjes en zonder vlammen branden

c)

zich verbergen achter een muur

d)

hardop praten met luide stem

21.

Wat betekent respectvol?

a)

gaan spreken

b)

een beetje toegeven

c)

zonder woorden

d)

met eerbied

22.

Wat is non-verbaal gedrag?

a)

wat niet in het echt bestaat

b)

doen of het echt is

c)

zonder woorden

d)

iets vergeten of niet meer weten

23.

Wat betekent het woord denkbeeldig?

a)

het geheel van vraag en aanbod van werk

b)

station dat rond draait in de ruimte

c)

wat je met elkaar hebt afgesproken

d)

wat niet in het echt bestaat

24.

Welke term hoort bij instructies: de bandlichter?

a)

een stuk gereedschap om een buitenband op te tillen

b)

luchtklep waar de lucht maar in één richting door kan

c)

doen of geven wat gevraagd wordt

d)

buitenkant van een wiel waar de band omheen zit

25.

Waarvoor gebruik je de solutie?

a)

lijm voor het plakken van banden

b)

lange tafel tussen winkelier en klant

c)

luchtklep voor één richting lucht

d)

iets met ontspanning in vrije tijd

26.

Wat is de toonbank in een winkel?

a)

ruimte waar de trein rond draait

b)

lange tafel of lage kast tussen winkelier en klant

c)

plek waar banden worden geplakt met lijm

d)

buitenkant van het wiel bij de fiets

27.

Welke zin past bij verslag schrijven: het echte werk kan beginnen?

a)

nu wordt het serieus

b)

iets meemaken en ervan leren

c)

zeer, erg

d)

iets doen wat je vroeger niet durfde

28.

Wat betekent een ervaring rijker zijn?

a)

indrukwekkend of groots

b)

het aan elkaar kleven tot klompjes

c)

nu wordt het serieus

d)

iets meemaken en ervan leren

29.

Wat betekent je grenzen verleggen?

a)

zeer, erg, en flink veel

b)

bedrukt papiertje om mee te betalen

c)

het geheel van vraag en aanbod van werk

d)

iets doen wat je vroeger niet durfde of niet kon

30.

Wat betekent imposant?

a)

indrukwekkend

b)

bedrukt geldpapiertje

c)

een beetje toegeven

d)

zonder woorden

31.

Wat betekent klonteren?

a)

iets vergeten of niet meer weten

b)

met eerbied met iemand omgaan

c)

doen of geven wat gevraagd wordt

d)

het aan elkaar kleven waardoor klompjes ontstaan

32.

Wat betekent samengesteld?

a)

station dat draait met bemanning

b)

het geheel van vraag en aanbod van werk

c)

wat uit twee of meer delen bestaat

d)

het ene in de plaats van het andere

33.

Wat is het bankbiljet?

a)

iemand die het geld maakt

b)

bedrukt papiertje om mee te betalen

c)

het schoonmaken van een oppervlak

d)

het geheel van vraag en aanbod van werk

34.

Wat is het ruimtestation?

a)

luchtklep waar lucht maar één kant op kan

b)

lange tafel of lage kast tussen winkelier en klant

c)

buitenkant van een wiel waar de band omheen zit

d)

station dat rond draait in de ruimte en bemand is

35.

Wat wordt bedoeld met de arbeidsmarkt?

a)

station dat rond draait met bemanning aan boord

b)

het schoonmaken van een vieze vloer

c)

het geheel van vraag en aanbod van betaald werk

d)

bedrukt papiertje om mee te betalen

36.

Wat betekent reinigen?

a)

schoonmaken

b)

met eerbied

c)

doen alsof het echt is

d)

zeer, erg

37.

Welke twee woorden horen bij overleg: kies alle juiste.

a)

recreatief

b)

uitwisselen

c)

het woord nemen

d)

toonbank

38.

Welke twee passen bij non-verbale communicatie: kies alle juiste.

a)

ruimtestation

b)

non-verbaal

c)

de lichaamshouding

d)

imposant

39.

Welke twee horen bij verslag schrijven: kies alle juiste.

a)

toonbank

b)

ventiel

c)

een ervaring rijker zijn

d)

je grenzen verleggen

40.

Welke twee gaan over geld of werk: kies alle juiste.

a)

de arbeidsmarkt

b)

de munter

c)

klonteren

d)

denkbeeldig