Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kracht en snelheid 4K

Total questions: 27

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.
krachten kunnen
a)
de kleur van een voorwerp veranderen
b)
de temperatuur van een voorwerp veranderen
c)
de snelheid van een voorwerp veranderen
d)
niets aan een voorwerp veranderen
2.
de eenheid van kracht is
a)
Newton
b)
Joule
c)
Kelvin
d)
Tesla
3.

Wat voor banden kun je het best gebruiken bij een trekker die door los zand moet rijden?

a)

Kleine smalle banden

b)

Kleine brede banden

c)

Grote smalle banden

d)

Grote brede banden

4.

Een kracht teken je met een pijl.

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Welke kracht zorgt ervoor dat regendruppels naar beneden vallen?

a)

Trekkracht

b)

Duwkracht

c)

Wrijvingskracht

d)

Zwaartekracht

6.

Welke kracht zorgt voor het vervormen van de spons?

a)

spierkracht

b)

zwaartekracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

e)

elektrostatische kracht

7.

Welke kracht zorgt voor het bewegen van de schaatser?

a)

spierkracht

b)

zwaartekracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

e)

elektrostatische kracht

8.

Welke kracht werkt in op de auto?

a)

zwaartekracht

b)

gewicht

c)

elektrostatische kracht

d)

magnetische kracht

e)

wrijvingskracht

9.

Zwaartekracht werkt omhoog.

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

Welke verandering is er op getreden op het cola blikje?

a)

Verandering van gewicht

b)

Verandering van vorm

c)

Verandering van kleur

d)

Verandering van massa

11.

Een kracht heeft een grootte, een richting en een aangrijpings-punt.

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

John slaat met een stok tegen een bal.

            Wat gebeurt er met de bal als John de bal raakt?

a)

De bal verandert van grootte, richting en snelheid.

b)

De bal verandert van grootte, richting en vorm.

c)

De bal verandert van grootte, snelheid en vorm.

d)

De bal verandert van richting, snelheid en vorm.

13.

Een kracht is zichtbaar.

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Wat is het symbool voor kracht?

a)

F

b)

N

c)

K

d)

S

15.

Welke kracht zorgt ervoor dat een parachute de val vertraagt?

a)

Duwkracht

b)

Zwaartekracht

c)

Wrijvingskracht

d)

Trekkracht

16.

30 km/h is omgerekend : .... m/s

Tip: Gebruik rekenmachine!

a)

16,7 m/s

b)

8,3 m/s

c)

5 m/s

17.

4500 meter is .... km.

a)

45 km

b)

0,45 km

c)

4,5 km

d)

450 km

18.

Snelheid heeft als symbool ...

(a)  

19.

Maaike rent over een brug van 6 km. Dit doet ze in 0,7 uur. In welke eenheid geef ik de snelheid?

a)

m/s

b)

s/m

c)

km/h

d)

h/km

20.

Jan fiets 20 m/s. Dit doet hij in 20 seconden. Ik wil een afstand uitrekenen. In welke eenheid antwoord je?

(a)  

21.

Wat is de eenheid van afstand?

(a)  

22.

v= 10 .......

a)

m/s

b)

t

c)

s

d)

m

23.

t = 15 ...........

a)

s

b)

v

c)

s

d)

t

24.

s = 300 ................

a)

v

b)

m

c)

t

d)

m/s

25.

welke letter hoort er bij de grootheid snelheid?

a)

s

b)

v

c)

t

d)

m/s

26.

welke letter hoort er bij de grootheid afstand?

a)

v

b)

s

c)

t

d)

m

27.

welke letter hoort er bij de grootheid tijd?

a)

t

b)

v

c)

s

d)

m/s