WorksheetsNA V2A optica eigen vragen
Total questions: 24
Worksheet time: 13mins
Name
Class
Date
1.
Hoe goed denk je dat je dit hoofdstuk beheerst?
a)
Zeer goed
b)
Goed
c)
Prima
d)
Matig
e)
Slecht, maak mij zorgen
2.
Wat ga je nog doen of heb je gedaan ter voorbereiding van NA PW?
a)
alle opgaven gemaakt
b)
vragen gesteld
c)
ik laat mij thuis overhoren
d)
testjezelf allemaal maken<br />
3.
Hoe goed heb je je huiswerk tot op heden gemaakt?
4 lines
4.
Wat is diffuse terugkaatsing?
a)
Terugkaatsing volgens de spiegelwet
b)
Terugkaatsing in alle richtingen
c)
Terugkaatsing naar de plek waar het vandaan kwam
5.
Hoeveel soorten uv-stralingen zijn er?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
9
e)
6
6.
Wat is een tripelspiegel
a)
Een spiegel met twee kanten
b)
Een spiegel met dubbelglas
c)
Drie spiegels die loodrecht op elkaar staan
d)
Een spiegel om je biertje op te zetten
7.
Wat is spiegelbeeld
a)
Schijnbeeld dat je ziet in een spiegel
b)
Licht dat uit een spiegel gaat
c)
Licht wat je kan zien
d)
Door een mens gemaakte lichtbron
8.
Wat gebeurt er als er een ultraviolette straling op fluorescerende stof valt?
a)
Het wordt paars
b)
Helemaal niets
c)
Het geeft licht
d)
Het verdwijnt
9.
Waar bestaat een spiegel uit
a)
Een leren doek, dat licht laat weerkaatsen
b)
Een glasplaat, waarop een dun laagje aluminium is aangebracht
c)
Een glasplaat met een dun laagje kristal er achter
d)
Glasplaat met ijzer dat zorgt dat het licht dat op de spiegel komt niet afkoelt
10.
Hoe ontstaat een schaduw?
a)
Een voorwerp houdt het licht helemaal tegen.
b)
Een voorwerp houdt het licht gedeeltelijk tegen.
c)
Het licht verliest kracht als het moet buigen onder een voorwerp.
d)
Een voorwerp verzwakt het licht.
e)
Het licht moet het punt nog bereiken.
11.
Wat is het verschil tussen indirect en diffuus licht?
a)
Het licht weerkaatst bij diffuus licht op een object en bij indirect licht verstrooid het licht
b)
Het licht weerkaatst bij indirect licht op een object en verstrooid bij diffuus licht
c)
Er is geen verschil
d)
Het licht weerkaatst bij allebei en word diffuus als het na een weerkaatsing verstrooid
12.
Welke van de volgende antwoorden is een kunstmatige lichtbron?
a)
Zon
b)
Ster
c)
Maan
d)
Led-lampen
e)
Vuurvliegje
13.
Wat is het verschil tussen een convergent en divergent lichtbundel?
a)
De lichtstralen lopen bij convergent uit elkaar
b)
De lichtstralen lopen bij divergent bij elkaar
c)
Er is geen verschil
d)
De lichtstralen bij divergent gaan uit elkaar
14.
Kies de formule van de spiegelwet
a)
Hoek i= Hoek t
b)
Hoek u= Hoek
c)
Hoek i= Hoek u
d)
Hoek u= Hoek i
15.
Hoe noem je een lamp die vooral infrarode straling uitzend
a)
Ir-lamp
b)
Warmte lamp
c)
Uv-lamp
d)
Led-lamp
16.
Welke van deze manieren kan ir-straling worden toegepast?
a)
In de motor van een grasmaaier.
b)
In alarminstallaties en in winkeldeuren die automatisch openen en sluiten.
c)
In een tv.
d)
In een oven waarbij het lampje automatisch aan- en uitgaat.
17.
Wat is de formule van de spiegelwet?
a)
Hoek² • inval= hoek van vertrek
b)
Hoek van lijn = hoek van vertrek • 2
c)
Hoek van inval = ½ hoek van terugkaatsing
d)
Hoek van terugkaatsing = hoek van inval
e)
Hoek van inval = hoek van terugkaatsing
18.
Wat voor soort straling straalt de zon behalve licht ook uit? 1 of meer goed
a)
Ir-straling
b)
Tr-straling
c)
Uv-straling
d)
Iv-straling
19.
Wat is indirect licht?
a)
Direct licht van de zon
b)
Weerkaatsing van het licht op een voorwerp in een omgeving
c)
Licht direct op een omgeving
d)
Synoniem voor een halfschaduw
20.
Wat als een worm op een spiegel valt?
a)
Hij vliegt met dezelfde hoek terug
b)
Hij beland op 4 pootjes
c)
Hij gaat dood
d)
Hij wordt een vlinder
e)
Hij eet de spiegel op (juiste)
21.
Licht is ...
a)
Elektromagnetische Straling
b)
Röntgen Straling
c)
Radiogolven
22.
Als een voorwerp rood is, wordt alleen het rode licht door het voorwerp opgenomen.
a)
Waar
b)
Niet Waar
23.
Bij een convergente lichtbundel komen de lichtstralen samen.
a)
Waar
b)
Niet Waar
24.
Hoe heet deze kleurmenging? Begint met een A
(a)
100 %
