Search Header Logo
Verwijswoorden

Verwijswoorden

Assessment

Presentation

World Languages

2nd - 12th Grade

Practice Problem

Medium

Created by

Simone Goekoop-Boeter

Used 9+ times

FREE Resource

6 Slides • 10 Questions

1

Verwijswoorden

Formuleren

H45

A456

Slide image

2

Slide image

3

Slide image

4

Slide image

5

Slide image

6

Slide image

7

Multiple Choice

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je het zakje snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

1

die

2

dat

8

Multiple Choice

Kies het juiste verwijswoord.

Onze boot is gerepareerd. Morgen brengen we het / hem naar de haven.

1

het

2

hem

9

Multiple Choice

Kies het juiste verwijswoord.

De zonnebril van Els is kapot, want Johan heeft hem / ze per ongeluk laten vallen.

1

hem

2

ze

10

Multiple Choice

Kies het juiste verwijswoord.

Tim heeft de jas van Noortje meegenomen. Deze / Dit moet hij straks aan hem / haar teruggeven.

1

Deze, hem

2

Deze, haar

3

Dit, hem

4

Dit, haar

11

Multiple Choice

Kies het juiste verwijswoord.

De spelers moeten terugkomen op hun / zijn besluit om uit deze / dit team te stappen.

1

hun, deze

2

hun, dit

3

zijn, deze

4

zijn, dit

12

Multiple Choice

Kies het juiste verwijswoord.

De koffiekopjes staan nog op dit / deze tafeltje. Wil jij hem / ze even opruimen?

1

dit, hem

2

deze, hem

3

dit, ze

4

deze, ze

13

Multiple Choice

Kies het juiste verwijswoord.

Het paard die / dat op stal staat, is van mijn tante. Hij / Het heeft al aan veel wedstrijden meegedaan.

1

die, Hij

2

dat, Hij

3

die, Het

4

dat, Het

14

Multiple Choice

Kies het juiste verwijswoord.

Het meisje dat / die daar loopt, zit bij mij in de klas. Hij / Zij kan goed voetballen.

1

dat, Hij

2

die, Hij

3

dat, Zij

4

die, Zij

15

Multiple Choice

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je de zak snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

1

die

2

dat

16

Multiple Choice

Kies het juiste verwijswoord.

De meisjes dat / die daar lopen, zitten bij mij in de klas. Hun / Zij kunnen goed voetballen.

1

dat, Hun

2

die, Hun

3

dat, Zij

4

die, Zij

Verwijswoorden

Formuleren

H45

A456

Slide image

Show answer

Auto Play

Slide 1 / 16

SLIDE