Search Header Logo
Schrijftips

Schrijftips

Assessment

Presentation

•

World Languages

•

KG - 12th Grade

•

Hard

Created by

Maaike Hubee

Used 1+ times

FREE Resource

11 Slides • 16 Questions

1

Schrijftips

Slide image

2

  Citations

  • Het meisje zei:”Ik ben niet bang!”


  • “Ik ben niet bang! (,)” zei het meisje.

  • Indirecte rede: Het meisje zei dat ze niet bang was.

3

Multiple Choice

Which citation is done correctly?

1

De oude man dacht "Waarom ben ik nu zo klein?"

2

De oude man dacht: "Waarom ben ik nu zo klein?"

3

Dacht de oude man: "Waarom ben ik nu zo klein?"

4

Multiple Choice

Which sentence is done correctly?

1

Mijn moeder zegt dat ik niet meer op mijn iPad mag spelen.

2

Mijn moeder zegt ik mag niet meer op mijn iPad spelen.

3

Mijn moeder zegt dat ik op spelen niet meer op mijn iPad mag.

5

Dan versus Toen

Nu of in de toekomst? -> dan


De jongen loopt in het bos. Dan ziet hij een bruine beer.



In de verleden tijd? -> toen


De jongen liep in het bos. Toen zag hij een bruine beer.

6

Fill in the Blanks

'dan' of 'toen'?


Ik zwom in de Grote Oceaan.

Type answer...

zag ik een haai. Ik zei tegen de haai:"Waarom ben jij hier?"

7

Fill in the Blanks

'dan' of 'toen'?


Ik pak mijn tas en mijn telefoon.

Type answer...

zeg ik mijn ouders gedag.

8

Fill in the Blanks

'dan' of 'toen'


Als ik later groot ben,

Type answer...

wil ik docent Nederlands worden.

9

'Huis' versus 'Thuis'

thuis = in jouw huis


Ik heb thuis 12 televisies.


In mijn huis heb ik 12 televisies.


Ik ga naar huis.


Ik ben thuis.

10

Multiple Choice

Which sentence is done correctly?

1

Marietje was thuis toen er een man op de deur klopte.

2

Marietje was huis toen er een man op de deur klopte.

3

Marietje was in thuis toen er een man op de deur klopte.

11

'geen' en 'zonder'

  • niet een-> geen

  • De vrouw heeft geen tanden.

    .

  • met geen-> zonder

  • De vrouw zonder tanden lachte naar me

12

Keep in mind......

  • Op een dag gingen mijn vriend en ik naar de zee.

  • Dus niet:

  • Op een dag, gingen mijn vriend en ik naar de zee.

  • Dus niet:

  • Een dag gingen mijn vriend en ik naar de zee.

13

Oefenen met onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd

14

Fill in the Blanks

De hond

Type answer...

een bot en pakte het bot. (zien -> past tense)

15

Fill in the Blanks

Het monster

Type answer...

naar het kleine meisje en dacht:"Mmmmm, lekker!" (kijken -> past tense)

16

Fill in the Blanks

Mijn opa, oma, tante, oom, neefjes, nichtjes en ik

Type answer...

naar een meer. (gaan -> past tense)

17

Fill in the Blanks

Er

Type answer...

een straal met licht en ik dacht dat ik doodging. (verschijnen -> past tense)

18

Fill in the Blanks

De kinderen

Type answer...

een vreugdedansje en keken heel blij. (doen -> past tense)

19

Fill in the Blanks

Met z'n vieren

Type answer...

we uren in de warme zee. (zwemmen -> past tense)

20

Fill in the Blanks

Toen

Type answer...

hij:"Waarom kom je niet met mij mee?" (zeggen -> past tense)

21

Fill in the Blanks

Er

Type answer...

eens een prinses met dik zwart haar en prachtige, grote ogen. (zijn -> past tense)

22

Regelmatige werkwoorden in de verleden tijd

Stap 1: stam


Stap 2: is de laatste letter van de stam in 'ex soft ketchup"? (x t s k f s ch p)


Stap 3: is het onderwerp enkelvoud of meervoud?


ja + enkelvoud = stam + te

ja + meervoud = stam + ten


Voorbeeld:

De man pakte zijn fiets.

De man en de vrouw pakten hun fiets.


nee + enkelvoud = stam + de

nee + meervoud = stam + den


Voorbeeld:

De man rende naar zijn fiets.

De man en de vrouw renden naar hun fiets.

23

Fill in the Blanks

De kabouter

Type answer...

toen ik viel. (lachen -> past tense)

24

Fill in the Blanks

De kabouters

Type answer...

toen ik viel. (huilen -> past tense)

25

Werkwoorden vervoegen in de tegenwoordige tijd

* haal 'en' weg -> stam

! soms moet je de klank aanpassen (maken -> maak)

! je hebt nooit twee dezelfde medeklinkers aan het eind (pakken -> pak)

! de 'v' en de 'z' worden 'f' en 's' (verven -> verf / reizen -> reis)


Dan


ik stam (loop)

jij/je stam + t (loop) maar stam + je/jij*

hij/zij/het/u stam + t. (loopt)

wij/we infinitief (lopen)

jullie infinitief (lopen)

ze/zij infinitief (lopen)

26

* stam + je/jij

Loop jij naar school?


's Ochtends (In de ochtend) fiets jij naar school.

27

Voornaamwoorden

Ik heb een boek.

Het is mijn boek.

Het boek is van mij.


Hij heeft een boek.

Het is zijn boek.

Het boek is van hem.


Zij/ze heeft een boek.

Het is haar boek.

Het boek is van haar.


Zij/ze hebben een boek.

Het zijn hun boeken.

De boeken zijn van hun (hen).


pattern-tertiary

Schrijftips

Slide image

Show answer

Auto Play

Slide 1 / 27

SLIDE