Search Header Logo
samengestelde zinnen

samengestelde zinnen

Assessment

Presentation

World Languages

9th - 12th Grade

Practice Problem

Hard

Created by

PH LEFIEF

Used 3+ times

FREE Resource

22 Slides • 27 Questions

1

media

Cocktails, het antwoord

op je samengestelde zin !

2

media

​Een zin met slechts één persoonsvorm is een enkelvoudige zin.

media
media

​Hoe vind je de persoonsvorm?

3

Multiple Choice

Question image

Ik zoek de persoonsvorm?

Wat is hier de persoonsvorm?

1

Ik

2

zoek

3

de

4

persoonsvorm

4

​Ik zoek de persoonsvorm en probeer ook het onderwerp aan te duiden.

​Wat is hier de persoonsvorm?

media
media

​Als er meer dan één persoonsvorm is, is het GEEN enkelvoudige zin.

We spreken dan over een SAMENGESTELDE ZIN.

5

Multiple Choice

Ik ga naar de markt, omdat ik appels wil kopen.

Zoek de persoonsvorm(en)!

1

ga

2

wil kopen

3

ga en wil

4

kopen

6

Multiple Choice

Wanneer noemen we een zin samengesteld?

1

Als er meerdere werkwoorden in de zin staan.

2

Als er meer dan 1 persoonsvorm in staat.

3

Als er 1 persoonsvorm in de zin staat.

7

Multiple Choice

Hoeveel persoonsvormen vind je in deze zin?

De helft van haar zin werd overstemd door het schelle geluid van een bel.

1

1

2

2

3

3

4

Geen idee

8

Multiple Choice

Hoeveel persoonsvormen vind je in deze zin?

Lore fluisterde iets tegen haar vriendin, maar deze luisterde eerst niet.

1

1

2

2

3

3

4

4

9

Multiple Choice

Question image

Ik kocht gisteren wc-papier en sponsjes in de Action.

Is dit een enkelvoudige zin?

1

JA

2

NEE

10

Multiple Choice

Question image

Ik kocht gisteren wc-papier in de Action, sponsjes in de Colruyt en cola in de Lidl.

Is dit een enkelvoudige zin?

1

JA

2

NEE

11

Multiple Choice

Question image

Ik sport heel graag en hou van reizen.

Is dit een enkelvoudige zin?

1

JA

2

NEE

12

​Ik sport heel graag.

Ik hou van reizen.

Als er meer dan één persoonsvorm is, is het GEEN enkelvoudige zin.

We spreken dan over een SAMENGESTELDE ZIN.

13

Multiple Choice

Question image

Ik sport heel graag en hou van reizen.

WAT IS DE BELANGRIJKSTE ZIN VAN DE TWEE?

1

Ik sport heel graag.

2

Ik hou van reizen.

3

De ene zin is niet belangrijker dan de andere.

14

​Ik sport heel graag.

Ik hou van reizen.

Als er meer dan één persoonsvorm is, is het GEEN enkelvoudige zin.

We spreken dan over een SAMENGESTELDE ZIN.

​Wanneer beide (of meerdere) zinnen even belangrijk zijn, dan is er NEVENSCHIKKING. De zinnen zijn 'evenwaardig'.

​Maar dat 'evenwaardige' is niet steeds zo duidelijk...

En daarom is er nog een methode die kan helpen.

media

15

​Als je van een samengestelde zin met nevenschikking een ja-neevraag maakt, krijg je evenveel vragen als er deelzinnen zijn.

Ik sport heel graag en hou van reizen.

Sport je graag en hou je van reizen?

​De persoonsvormen komen zoals verwacht telkens vooraan de zin te staan. Maar je kan twee afzonderlijke vraagzinnen maken.

media
media
media
media
media

16

Multiple Choice

Question image

Ik fiets graag als het mooi weer is.

Is dit een enkelvoudige zin?

1

JA

2

NEE

17

​Ik fiets graag.

Het is mooi weer.

​​Als er TWEE persoonsvormen zijn, is het GEEN enkelvoudige zin.

media

18

Multiple Choice

Question image

Ik fiets graag als het mooi weer is.

WAT IS DE BELANGRIJKSTE ZIN VAN DE TWEE?

1

Ik fiets graag.

2

Het is mooi weer.

3

De ene zin is niet belangrijker dan de andere.

19

​Ik fiets graag.

Het is mooi weer.

media
media

​de kern van je boodschap

een voorwaarde

media

​Als één van de twee zinnen belangrijker is dan de andere, dan noemen we dit ONDERSCHIKKEND zinsverband. De twee zinnen zijn dan NIET gelijkwaardig. De ene zin is ondergeschikt aan de andere.

​Maar dat 'ondergeschikte' is niet steeds zo duidelijk...

En daarom is er weer die methode die kan helpen.

media

20

​We maken een ja-neevraag:

​Fiets je graag als het mooi weer is?

​Er is maar één vraag geformuleerd en je kan ook maar één keer ja of neen antwoorden.

media
media

​Je wil weten of iemand graag fietst.

Je vraagt niet of het mooi weer is.

Je vraag ook niet wanneer iemand graag fietst.

media
media
media
media
media
media

21

media

​groen kader p. 430

media

​nevenschikking

  • nevenschikkend voegwoord

  • komma

22

Multiple Choice

Wat is het voegwoord?


Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.

1

wanneer

2

zal

3

zie

23

​Een voegwoord is een woord dat twee zinnen met elkaar verbindt (aan elkaar voegt). Het inhoudelijke verband tussen de deelzinnen wordt bepaald door het voegwoord.

nevenschikkende voegwoorden

onderschikkende voegwoorden

media

24

nevenschikkende voegwoorden

​De nevenschikkende voegwoorden

die het meest gebruikt worden zijn:

  • ​en

  • noch

  • alsmede

  • alsook

  • maar

  • doch

  • of

  • ofwel

  • dan

  • want

  • dus

25

media

​groen kader p. 430

media

​nevenschikking

  • nevenschikkend voegwoord

  • komma

media
media

​ER IS GEEN BIJZIN: HET ZIJN TWEE OP ZICHZELF STAANDE ZINNEN.

26

media

​groen kader p. 430

media

​onderschikking

  • hoofdzin en bijzin

media

27

  • ​Een hoofdzin is een zelfstandige zin.

  • Een bijzin is een afhankelijke zin en kan niet bestaan zonder een hoofdzin. Het is een zinsdeel van de hoofdzin.

Ik heb de fiets die al weken voor m'n gevel stond verplaatst.

Dit stuk van de zin

kan zelfstandig staan.

media

Dit stuk van de zin

kan niet zelfstandig staan. Het staat het lijdend voorwerp en kan vervangen woorden door één woord: 'die'.

media

28

  • Een ander verschil tussen een hoofdzin en een bijzin is de woordvolgorde. In een hoofdzin staat de persoonsvorm meestal op de tweede plaats. In een bijzin staat de persoonsvorm meestal verder naar achteren..

Ik heb de fiets die al weken voor m'n gevel stond verplaatst.

persoonsvorm op de tweede plaats

media

persoonsvorm

achteraan in de zin

media

29

media

​groen kader p. 430

media

​onderschikking

  • hoofdzin en bijzin

  • onderschikkend voegwoord

media

30

onderschikkende

voegwoorden

​De onderschikkende voegwoorden

die het meest gebruikt worden zijn:

​wanneer, als, terwijl, zodra, voordat, voor, nu, toen, nadat, zolang als, totdat, sinds, doordat, zodat, waardoor, omdat, opdat, indien, mits, tenzij, hoewel, ofschoon, ondanks dat, zoals, alsof, dat, of

​Of ze tijd zullen komen, kan ik niet voorspellen.

Hier is 'ik kan niet voorspellen' de hoofdzin en is de rest het lijdend voorwerp.

Je kan het vervangen door één ander woord: 'dat'.

31

media

​groen kader p. 430

media

​onderschikking

  • hoofdzin en bijzin

  • onderschikkend voegwoord

  • betrekkelijk voornaamwoord

media

32

Multiple Choice

Question image

Een voornaamwoord...

1

schrijf je met een hoofdletter

2

is een heel beleefd woord

3

verwijst altijd naar iets anders

4

vervangt een zinsdeel

33

Multiple Choice

Question image

Wat is hier een betrekkelijk voornaamwoord?

1

jij

2

onze

3

die

4

waardoor

34

media
media

35

media

​groen kader p. 430

media

​onderschikking

  • hoofdzin en bijzin

  • onderschikkend voegwoord

  • betrekkelijk voornaamwoord

media
media

36

Multiple Choice

Question image

Wanneer spreken we van onderschikking?

1

Hoofdzin + Hoofdzin

2

Hoofdzin + Bijzin (en omgekeerd)

37

Multiple Choice

Ze heeft dat pakje gestolen en wilde ervandoor gaan.

1

Dit is een zin met nevenschikking.

2

Dit is een zin met onderschikking.

3

Dit is een samengestelde zin met 4 persoonsvormen.

4

Dit is een enkelvoudige zin.

38

Multiple Choice

Ik wilde niet dat iemand ons zou storen.

1

Dit is een zin met twee hoofdzinnen.

2

Dit is een zin met nevenschikking.

3

Dit is een zin waarbij een zin een zinsdeel is in de andere zin.

4

Geen enkel antwoord is juist.

39

Multiple Choice

Question image

Ik ga naar een restaurant en bestel een steak.

1

hoofdzin + hoofdzin

2

hoofdzin + bijzin

3

bijzin + hoofdzin

40

Multiple Choice

Question image

Ik ga naar een restaurant en bestel een steak.

1

onderschikking

2

nevenschikking

41

Multiple Choice

Question image

Of die informatie juist is, kan ik niet met zekerheid zeggen.

1

hoofdzin + hoofdzin

2

hoofdzin + bijzin

3

bijzin + hoofdzin

42

Multiple Choice

Question image

Of die informatie juist is, kan ik niet met zekerheid zeggen.

1

onderschikking

2

nevenschikking

43

Multiple Choice

Question image

Ik heb al online gezocht naar informatie, maar ik heb nog niets gevonden.

1

hoofdzin + hoofdzin

2

hoofdzin + bijzin

3

bijzin + hoofdzin

44

Multiple Choice

Question image

Ik heb al online gezocht naar informatie, maar ik heb nog niets gevonden.

1

onderschikking

2

nevenschikking

45

Multiple Choice

Question image

Ik heb een nieuwe broek nodig, omdat mijn oude versleten is.

1

hoofdzin + hoofdzin

2

hoofdzin + bijzin

3

bijzin + hoofdzin

46

Multiple Choice

Question image

Ik heb een nieuwe broek nodig, omdat mijn oude versleten is.

1

onderschikking

2

nevenschikking

47

Multiple Choice

Question image

Waarom bleef die rare snuiter om de haverklap op zijn horloge kijken?

1

Dit is een samengestelde zin.

2

Dit is een enkelvoudige zin.

3

Dit is een samengestelde zin met nevenschikking.

4

Dit is een samengestelde zin met onderschikking.

48

Multiple Choice

Question image

Onderschikking of nevenschikking?


Lodewijk beslist morgen of hij de auto koopt.

1

Onderschikkend

2

Nevenschikkend

media

Cocktails, het antwoord

op je samengestelde zin !

Show answer

Auto Play

Slide 1 / 49

SLIDE