WorksheetsOefenen T6 B5 en B6
Total questions: 10
Worksheet time: 10mins
Name
Class
Date
1.
Waar in het lichaam vind je veel glad spierweefsel?
a)
Skelet
b)
Bloedvaten
c)
Alle holle organen
d)
In het hart
2.
Waar bestaat dwarsgestreept spierweefsel uit?
a)
Spiervezels
b)
Pezen
c)
Bindweefsel
3.
Waar wordt dwarsgestreept spierweefsel door geinnerveerd?
a)
Wat betekent innerveren?
b)
animale zenwustelsel
c)
autonome zenuwstelsen
d)
Nergens door
4.
Waarin eindigt de vertakking van het axon (als het een spier innerveert)?
a)
spierschede
b)
spiervezel
c)
motorisch eindplaatje
d)
motorische eenheid
5.
Welk organel zit veel in spierfibrillen?
a)
endoplasmatisch reticulum
b)
mitochondriën
c)
ribosomen
d)
kernen
6.
Hoe zien actine- en myosinefilamenten eruit?
a)
Actine is dik en myosine is dun
b)
actine is dun en myosine is dik
c)
actine en myosine zijn beiden dik
d)
actine en myosine zijn beiden dun
7.
Hoe noemen we zintuigcellen ook wel?
a)
conductoren
b)
effectoren
c)
receptoren
8.
Welke zintuigen liggen in je oren?
a)
gehoorreceptoren
b)
evenwichtreceptoren
c)
gehoor- en evenwichtreceptoren
d)
gehoor-, reuk- en evenwichtreceptoren
9.
Wat is een adequate prikkel?
a)
Prikkel met de laagste drempelwaarde
b)
Prikkel zonder drempelwaarde
c)
Enige prikkel waar zintuig op reageert
10.
Waardoor ontstaat gewenning?
a)
Je denkt er niet meer aan
b)
De impulssterkte neemt af
c)
De impulsfrequentie neem af
d)
Signaal bereikt hersenen niet meer
100 %
