NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsQuiz Engels
Total questions: 20
Worksheet time: 10mins
Name
Class
Date
1.
cream cake
a)
roomcake
b)
slagroomgebakje
c)
room koekje
d)
crème gebak
2.
final
a)
eerste
b)
naaste
c)
finale
d)
laatste
3.
present
a)
aanwezig
b)
cadeau
c)
heden
d)
presenteren
4.
to ring
a)
ring
b)
rankelen
c)
rinkelen
5.
to waste time
a)
tijd gebruiken
b)
taille tijd
c)
de tijd wassen
d)
tijd verspillen
6.
to take away
a)
weggeven
b)
wegnemen
c)
weggooien
d)
meenemen
7.
safe
a)
veilig
b)
kluis
c)
opslaan
8.
to push
a)
trekken
b)
vallen
c)
delen
d)
duwen
9.
to get in touch with
a)
aanraken
b)
samen zijn
c)
contact houden
d)
in aanraking komen met
10.
popular
a)
paraplu
b)
populair
c)
popular
d)
leuk
11.
to beat
a)
slaan/verslaan
b)
ruzie hebben
c)
pesten
d)
plagen
12.
cycling
a)
lopen
b)
auto-rijden
c)
recyclen
d)
fietsen
13.
ability
a)
kunnen
b)
vermogen
c)
mogen
d)
weten
14.
to be good at
a)
goed zijn
b)
slecht zijn
c)
goed zijn in
d)
slecht zijn in
15.
doing a paper round
a)
een krantenwijk doen
b)
een papier rond doen
c)
papier rond gooien
d)
papier weggooien
16.
useful
a)
nodig
b)
nut
c)
nuttig
d)
handig
17.
to take out
a)
iemand verslaan
b)
wegnemen
c)
mee uit nemen
d)
uitgeven
18.
step
a)
stappen
b)
stapelen
c)
steppen
d)
stap
19.
yesterday
a)
morgen
b)
vandaag
c)
gisteren
d)
overmorgen
20.
to ban
a)
verbieden
b)
vergeven
c)
banen
d)
vernemen
Reset
