NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsChapitre_4 examenidioom
Total questions: 25
Worksheet time: 13mins
Name
Class
Date
1.
Vertaal: un bâtiment
a)
de school
b)
een gebouw
c)
een eenkamerflat
d)
een studio
2.
Vertaal: le musulman
a)
de moslim
b)
de jood
c)
de christen
d)
de atheist
3.
Vertaal: ranger
a)
opruimen
b)
opbergen
c)
bouwen
d)
de bouw
4.
Vertaal: la construction
a)
bouwen
b)
de bouw
5.
Vertaal: nettoyer
a)
schoonmaken
b)
opruimen
c)
bouwen
d)
fietsen
6.
Vertaal: le citoyen
a)
een standbeeld
b)
de burger
c)
een helm
d)
een boerderij
7.
Vertaal: causer
a)
gevolgen
b)
veroorzaken
c)
de oorzaak
d)
oversteken
8.
Vertaal: traverser
a)
veroorzaken
b)
huisvesten
c)
oversteken
d)
de weide
9.
Vertaal: un casque
a)
een doek
b)
een helm
c)
een waakhond
d)
een weide
10.
Vertaal: une poule
a)
een haan
b)
een varken
c)
een schaap
d)
een kip
11.
Vertaal: le pré
a)
een varken
b)
een schaap
c)
de oogst
d)
de weide
12.
Vertaal: héberger
a)
de oogst
b)
huisvesten
c)
huisvesting
d)
wonen
13.
Vertaal: aan uw linkerhand
a)
à votre droite
b)
à votre gauche
14.
Vertaal: rechtdoor
a)
tout droit
b)
gauche
c)
links
d)
passer
15.
Vertaal: het huisdier
a)
l'animal domestique
b)
l'animal
16.
Vertaal: het platteland
a)
la ville
b)
le village
c)
la campagne
d)
la champagne
17.
Vertaal: langskomen
a)
venir
b)
monter
c)
passer
d)
revenir
18.
Vertaal: een tuin
a)
le jardin
b)
un jardin
19.
Vertaal: een konijn
a)
le mouton
b)
la vache
c)
le lapin
d)
la chèvre
20.
Vertaal: een kerk
a)
l'école
b)
l'église
c)
le collège
d)
la mosque
21.
Geef de vertaling van: Qu'est-ce qu'on peut lire dans la première phrase?
a)
Wat kunnen we in de tweede zin lezen
b)
Wat kunnen we in de eerste zin lezen?
c)
Wat wil de schrijven in de eerste alinea zeggen?
d)
Wat wil de schrijven in de eerste alinea horen?
22.
Vertaal: A quoi sert le 5e alinéa?
a)
Waartoe dient de vijfde alinea?
b)
Waar gaat het over?
c)
Ik weet het niet.
23.
Vertaal: Qu'est-ce qui est vrai d'après ces lignes?
a)
Wat is er onwaar volgens deze regels?
b)
Wat is er waar volgens deze regels?
c)
Wat klopt er volgens deze regels?
d)
Wat klopt er niet?
24.
Vertaal: Qu'est-ce que cela signifie?
a)
Wat betekent dat?
b)
Wat begrijp je hieruit?
25.
Vertaal: quel en est la cause?
a)
Wat is het gevolg daarvan?
b)
Wat is de oorzaak daarvan?
Reset
