wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ecologie

Total questions: 97

Worksheet time: 49mins

Name
Class
Date
1.
Wat is biodiversiteit?
a)
Het aantal verschillende dieren in een gebied.
b)
Het aantal verschillende soorten in een gebied.
c)
Het aantal verschillende planten in een gebied.
2.
Je ziet hier een voorbeeld van:
a)
een populatie.
b)
een ecosysteem.
c)
een lage biodiversiteit.
d)
een hoge biodiversiteit
3.
Een soortgenoot is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
4.
Een prooidier is een abiotische factor.
a)
Juist
b)
Onjuist
5.
De zon is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
6.
In deze afbeelding zie je een:
a)
levensgemeenschap
b)
individu
c)
biotoop
d)
populatie
7.
Hoe noem je alle abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
8.
Hoe noem je alle biotische en abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
9.
Hoe noem je alle biotische factoren samen.
a)
ecosysteem
b)
biotoop
c)
levensgemeenschap
d)
niche
10.
Hoe noemen we de dunne laag om de aarde waar leven op kan voorkomen?
a)
bioom
b)
ecosysteem
c)
bioom
d)
biosfeer
11.
Een beer is een...
a)
omnivoor.
b)
herbivoor.
c)
carnivoor.
12.
Een konijn is een ...
a)
herbivoor
b)
omnivoor
c)
carnivoor
13.
Een leeuw is een....
a)
herbivoor
b)
omnivoor
c)
carnivoor
14.
Een omnivoor is een ...
a)
alleseter.
b)
vleeseter.
c)
planteneter.
15.
Een carnivoor is een...
a)
alleseter.
b)
planteneter.
c)
vleeseter.
16.
Een herbivoor is een ....
a)
alleseter.
b)
planteneter.
c)
vleeseter.
17.
Lijsterbes-sprinkhaan-kikker-slang vormen een voedselketen.
a)
juist
b)
onjuist
18.
De kikker is een consument van de tweede orde.
a)
juist
b)
onjuist
19.
De libel is een consument van de 4e orde.
a)
juist
b)
onjuist
20.
Uit hoeveel schakels bestaat de kortste voedselketen in de afbeelding?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
21.
Wat is een voedselweb?
a)
Een reeks van eten en gegeten worden.
b)
Alle biotische factoren in een ecosysteem.
c)
Alle voedselrelaties in een ecosysteem.
22.
Hoe noemen we de groene planten in een voedselketen?
a)
autotroof
b)
heterotroof
c)
consumenten
d)
producenten
23.
Het koolmeesje is ...
a)
een producent.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
een consument van de tweede orde.
d)
een consument van de derde orde.
24.
Hoe noemen we de bacteriën en schimmels in een voedselketen?
a)
afvaleters
b)
consumenten
c)
reducenten
25.
Hoe noemen we deze kringloop?
a)
koolstofkringloop
b)
stikstofkringloop
c)
stoffenkringloop
26.
Producenten zijn...
a)
autotroof
b)
heterotroof
27.
Consumenten zijn...
a)
autotroof
b)
heterotroof
28.
Een rups is ...
a)
autotroof.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
omnivoor.
d)
een producent.
29.
Wat ontbreekt er bij nummer 1?
a)
verbranding
b)
fotosynthese
30.
Wat ontbreekt bij nummer 2?
a)
consument
b)
producent
c)
reducent
d)
afvaleters
31.
Wat ontbreekt bij nummer 3?
a)
consument
b)
reducent
c)
producent
d)
afvaleters
32.
Wat ontbreekt bij nummer 4?
a)
fotosynthese
b)
verbranding
33.
Welke energierijke stof wordt gemaakt bij de fotosynthese?
a)
koolstofdioxide
b)
mineralen
c)
glucose
d)
zonlicht
34.
Waarom hebben organismen stikstofzouten nodig?
a)
Ze maken hier koolhydraten van.
b)
Ze maken hier vetten van.
c)
Ze maken hier eiwitten van.
35.
Wat hoort er bij nr 1 te staan?
a)
dierlijke eiwitten
b)
afvalstoffen
c)
verbranding
d)
stikstofzouten
36.
Wat hoort er bij nr 2?
a)
dierlijke eiwitten
b)
afvalstoffen
c)
stikstofzouten
d)
verbranding
37.
Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming.
38.
Wat voor een voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming
39.
Welke schakel in een voedselketen vormt altijd de basis?
a)
planten
b)
kleine diertjes
c)
kleine vogels
d)
roofvogel
40.
Welke schakel heeft altijd de grootste biomassa?
a)
consumenten eerste orde
b)
consumenten 2e orde
c)
producenten
41.
In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel kleiner.
a)
juist
b)
onjuist
42.
De plaats van een organisme in een voedselketen noem je .....
a)
het voedselniveau.
b)
de voedselketen.
c)
het trofisch niveau.
43.
Wat zie je in de afbeelding?
a)
De energiedoorstroom in een ecosysteem.
b)
Een piramide van biomassa.
c)
De zon als energiebron voor leven.
44.
In een voedselketen gaat een deel van de energie verloren aan verbranding.
a)
juist
b)
onjuist
45.
In een voedselketen gaat een deel van de energie verloren omdat een organisme wordt opgegeten.
a)
juist
b)
onjuist
46.
Bij insecten is de verhouding tussen opgenomen en doorgeven energie ongunstiger dan bij zoogdieren.
a)
juist
b)
onjuist
47.
Insecten eten is beter voor de wereldvoedselproblematiek.
a)
juist
b)
onjuist
48.
Binnen een ecosysteem zijn de aantallen organismen van een soort altijd gelijk.
a)
juist
b)
onjuist
49.
In een ecosysteem schommelen de populaties rondom een biologisch evenwicht.
a)
juist
b)
onjuist
50.
In het voorjaar van het derde jaar is er genoeg te eten en krijgen de koolmezen veel jongen.
a)
juist
b)
onjuist
51.
Het proces dat je in de afbeelding ziet noemen we....
a)
aanpassing.
b)
successie.
c)
biologisch evenwicht.
d)
optimaal.
52.
Het klimaat heeft veel invloed op de grootte van een populatie.
a)
juist
b)
onjuist
53.
Dit diagram noemen we ook wel een...
a)
minimum-maximumkromme.
b)
staafdiagram.
c)
milieukromme.
d)
optimumkromme.
54.
Deze vos is aangepast aan een....
a)
koud klimaat.
b)
gematigd klimaat.
c)
warm klimaat.
55.
Boven het maximum en onder het minimum gaan organismen dood.
a)
juist
b)
onjuist
56.
Een eerste ecosysteem op een onbegroeid terrein noemen we een.....
a)
climaxecosysteem.
b)
biologisch evenwicht.
c)
pioniers ecosysteem
57.
Een pioniersecosysteem heeft veel verschillende soorten planten en dieren.
a)
juist
b)
onjuist
58.
Bij een climaxecosysteem is de biodiversiteit hoog.
a)
juist
b)
onjuist
59.
Wat is humus?
a)
De niche van afvaleters.
b)
Dode rusten van planten en dieren.
c)
Zand vermengt met klei.
60.
Een climaxecosysteem wordt blootgesteld aan extreme milieu-omstandigheden.
a)
juist
b)
onjuist.
61.
Het tropisch regenwoud is een pioniersecosysteem.
a)
juist
b)
onjuist
62.
Onze Nederlandse bossen zijn climaxecosystemen.
a)
juist
b)
onjuist
63.
Kleigrond is vruchtbaarder dan zandgrond.
a)
juist
b)
onjuist
c)
maakt niet uit
64.
Humus maakt een zandgrond en een kleigrond beter van kwaliteit.
a)
juist
b)
onjuist
65.
De gond in de afbeelding is ...
a)
zandgrond
b)
kleigrond
c)
humus
66.
Een opeenvolging van planten- en diersoorten in een gebied noemen we...
a)
een biologisch evenwicht.
b)
een ecosysteem.
c)
successie
d)
een climax.
67.
Het in de loop van de tijd verwerven van eigenschappen die de kans op overleven vergroten noemen we....
a)
successie.
b)
adaptatie.
c)
aanpassen.
d)
ecologie.
68.
De habitat van een soort kun je ook omschrijven als de 'woonplaats' van een soort.
a)
juist
b)
onjuist
69.
De niche van een soort kun je ook omschrijven als 'de rol binnen een ecosysteem' van een soort.
a)
juist
b)
onjuist
70.
Het gestroomlijnde lichaam van deze pinguïn is een voorbeeld van....
a)
aanpassing.
b)
successie.
c)
mutualisme.
d)
symbiose.
71.
Wat voor een soort 'ganger' zie je in deze afbeelding?
a)
zoolganger
b)
teenganger
c)
topganger/hoefganger
72.
Wat voor een soort 'ganger' zie je in deze afbeelding?
a)
zoolganger
b)
teenganger
c)
topganger/hoefganger
73.
Wat voor een soort 'ganger' zie je in deze afbeelding?
a)
zoolganger
b)
teenganger
c)
topganger/hoefganger
74.
Wat voor een soort snavel zie je bij een vogel met dit soort poten?
a)
kegelsnavel
b)
priemsnavel
c)
haaksnavel
d)
zeefsnavel
75.
Wat voor een soort snavel zie je bij een vogel met dit soort poten?
a)
kegelsnavel
b)
priemsnavel
c)
haaksnavel
d)
zeefsnavel
76.
Wat voor een soort snavel zie je bij een vogel met dit soort poten?
a)
kegelsnavel
b)
priemsnavel
c)
pincetsnavel
d)
zeefsnavel
77.
Hoe noemen we de snavel van deze vogel?
a)
priemsnavel
b)
haaksnavel
c)
kegelsnavel
d)
pincetsnavel
78.
In de afbeelding zie je een voorbeeld van een zonplant.
a)
juist
b)
onjuist
79.
In de afbeelding zie je een voorbeeld van een zonplant.
a)
juist
b)
onjuist
80.
Het meest linker wortelstelsel is van een plant in een droog milieu.
a)
juist
b)
onjuist
81.
Voorjaarsbloeiers zijn...
a)
zonplanten
b)
schaduwplanten
82.
Je ziet hier een luchtkanaal in een stengel. Deze komen voor bij...
a)
woestijnplanten
b)
schaduwplanten
c)
zonplanten
d)
waterplanten
83.
In de afbeelding zie je een voorbeeld van...
a)
concurrentie
b)
samenwerking
84.
Competitie tussen soortgenoten is er vaak om voedsel, een partner of een veilige plek.
a)
juist
b)
onjuist
85.
Door samenwerking binnen een populatie is er een grotere kans op overleving.
a)
juist
b)
onjuist
86.
Binnen een groep weet iedereen vaak zijn plek. Dit noemen we....
a)
competitie
b)
pikorde
c)
rangorde
d)
tepelorde
87.
Een territorium is een gebied dat mannetjes verdedigen tegen andere soorten.
a)
juist
b)
onjuist
88.
Een territorium kan dienen als jachtgebied en voor het grootbrengen van de jongen.
a)
juist
b)
onjuist
89.
We zien hier een voorbeeld van paarvorming.
a)
juist
b)
onjuist
90.
We zien hier een voorbeeld van territoriumgedrag.
a)
juist
b)
onjuist
91.
Boomkikkers en gifkikkers leven in hetzelfde gebied. Boomkikkers jagen
s' nachts, gifkikkers overdag. Zij hebben een verschillende...
a)
habitat
b)
relatie
c)
rangorde
d)
niche
92.
Een langdurige samenlevingsvorm tussen verschillende soorten noem je...
a)
paarvorming
b)
competitie
c)
symbiose
d)
een niche
93.
Bij een korstmos hebben schimmel en alg beide voordeel van het samenleven. Dit noem je...
a)
commensalisme
b)
parasitisme
c)
symbiose
d)
mutualisme
94.
Bij een symbiose tussen een boomalg en een boom heeft de boomalg voordeel hiervan, de boom geen voordeel of nadeel. Dit noemen we...
a)
mutualisme
b)
concurrentie
c)
commensalisme
d)
parasitisme
95.
Luizen leven op de hoofdhuid van mensen. Dit is een voorbeeld van....
a)
commensalisme
b)
parasitisme
c)
mutualisme
96.
Bij parasitisme heeft de parasiet voordeel van het samenleven, de gastheer geen nadeel.
a)
juist
b)
onjuist
97.
Een parasiet zal proberen zijn gastheer zo lang mogelijk in leven te houden.
a)
juist
b)
onjuist