wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal Groep 5 Thema 6 Het hele ww en de stam!

Total questions: 16

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan het hele werkwoord?
Mama moppert op mijn rommel.
a)
moppert
b)
mopper
c)
mopperen
d)
mopperde
2.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan het hele werkwoord?
Papa begrijpt niets van de puzzel.
a)
begrijpt
b)
begrijp
c)
begrijpen
d)
begreep
3.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan het hele werkwoord?
Ik mag vandaag niet naar judo!
a)
mag
b)
mocht
c)
mogen
d)
mochten
4.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan het hele werkwoord?
Hij danst met een mooi meisje.
a)
danst
b)
dans
c)
dansen
5.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan het hele werkwoord?
Zij staat boven op het dak.
a)
staat
b)
sta
c)
staan
6.

Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan DE STAM?!

(de stam is de ik-vorm van het werkwoord)

Zij staat boven op het dak.

a)

staat

b)

sta

c)

staan

7.

Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan DE STAM?! (de ik-vorm)

Ik mag vanavond niet naar judo.

a)

mocht

b)

mag

c)

mogen

8.

Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan DE STAM?!

Ik kies de kleur!

a)

kies

b)

kiest

c)

kiezen

d)

koos

9.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan DE STAM?!
Papa begrijpt niets van de puzzel.
a)
begrijp
b)
begrijpt
c)
begrijpen
d)
begreep
10.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan DE STAM?!
Mama moppert op mijn rommel.
a)
mopper
b)
moppert
c)
mopperen
d)
mopperde
11.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan DE STAM?!
Hij danst met een mooi meisje.
a)
dans
b)
danst
c)
dansen
12.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan DE STAM?!
Juf geeft mij een sticker!
a)
geeft
b)
geef
c)
geven
13.

De wij-vorm van een werkwoord noem je...

a)

de stam

b)

de persoonsvorm

c)

het hele werkwoord

d)

de ik-vorm

e)

de hij-vorm

14.

Het hele werkwoord staat altijd in de...

(er zijn meerdere antwoorden goed!)

a)

tegenwoordige tijd

b)

verleden tijd

c)

nu-tijd

d)

tijd die al gebeurd is

e)

ik-vorm

15.

Zoek het werkwoord in de zin. Wat is hiervan het hele werkwoord en wat is de stam?


De opa leest de krant.

a)

leest, lees

b)

leesen, lees

c)

lezen, lees

d)

lezen, leest

e)

leest, lezen

16.

Zoek het werkwoord in de zin. Wat is hiervan het hele werkwoord en wat is de stam?


Mijn vriendinnetje slentert over de markt.

a)

slentert, markt

b)

slentert, slenter

c)

slenteren, slenter

d)

slenteren, slentert

e)

slenteren, markt