NEW
Font size
S
M
L
XL
Worksheets2B Hoofdstuk 1
Total questions: 20
Worksheet time: 10mins
Name
Class
Date
1.
Wat is het onderwerp van een tekst?
a)
In één volledige zin waar de tekst over gaat.
b)
In één of enkele woorden waar de tekst over gaat.
c)
De titel van de tekst.
d)
De kernzin uit de inleiding.
2.
Wat is een tussenkopje?
a)
De titel van een alinea.
b)
De witregel tussen twee alinea's in.
c)
Het deelonderwerp van een alinea.
d)
Het kernwoord van een alinea.
3.
Waar staan de deelonderwerpen?
a)
In de inleiding
b)
in het middenstuk
c)
In de eerste en de laatste zin van elke alinea
d)
in de inleiding en het middenstuk
4.
Wat is een alinea?
a)
een tussenkopje
b)
een inleiding
c)
een stukje tekst dat bij elkaar hoort
d)
een titel
5.
Het onderwerp van de tekst beschrijf je
a)
Zo kort mogelijk
b)
Zo uitgebreid mogelijk
c)
In drie zinnen
d)
Niet
6.
Waar vind je het onderwerp van een tekst?
a)
In het middenstuk
b)
In de eerste alinea
c)
In de inleiding
d)
In het slot
7.
Wat zijn synoniemen?
a)
Twee woorden die je anders schrijft maar hetzelfde betekenen.
b)
Twee woorden die je hetzelfde schrijft en hetzelfde betekenen.
c)
Twee woorden die je anders schrijft en iets anders betekenen.
8.
Wat betekent -on in 'onnodig'?
a)
opnieuw
b)
zonder
c)
niet
9.
Wat is de tegenstelling van constant?
a)
af en toe
b)
heel vaak
c)
altijd
d)
misschien
10.
Wat is het synoniem van 'arriveren'?
a)
vaak
b)
weggaan
c)
aankomen
d)
rijden
11.
Wat is het synoniem van 'exact'?
a)
precies
b)
meer
c)
ruim
d)
hoogstens
12.
Zoek het onderwerp: De veiligheidsdienst heeft het deze dagen heel druk.
a)
deze dagen
b)
de veiligheidsdienst
c)
heeft
d)
heeft druk
13.
Zoek de pv: Ik ben gestruikeld over het snoer van mijn laptop.
a)
het snoer
b)
ik
c)
ben
d)
ben gestruikeld
14.
Zoek de pv:Ik wil ook wel eens een film in de klas kijken.
a)
ik
b)
wil kijken
c)
wil
d)
in de klas
15.
Zoek het onderwerp:Ik speelde gisteren urenlang games op de computer.
a)
speelde
b)
ik
c)
games
d)
op de computer
16.
Welk ww?
Nico ___________ naar de overkant.
Nico ___________ naar de overkant.
a)
zwemmen
b)
zwemt
c)
zwem
d)
zwemmt
17.
Welk ww?
Vandaag ___________ mijn moeder met papa.
Vandaag ___________ mijn moeder met papa.
a)
danst
b)
dansen
c)
dans
18.
Welk ww?
Er ____________ twee katten over straat
Er ____________ twee katten over straat
a)
loopt
b)
lopen
c)
loope
d)
loop
19.
Welk woord is goed gespeld?
a)
conducteur
b)
condukteur
20.
Welk woord is goed gespeeld?
a)
restaurant
b)
restourant
Reset
