NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsMaerlant examenwoorden havo pag. 44
Total questions: 19
Worksheet time: 6mins
Name
Class
Date
1.
logisch opgebouwd wat betreft de gebruikte argumenten, passend wat betreft de verstrekte gegevens
a)
consistent
b)
inconsistent
c)
expliciet
d)
impliciet
2.
bij elkaar passen of met elkaar overeenstemmen van verstrekte gegevens, logische opbouw van redenering (argumentatieschema)
a)
consistentie
b)
intentie
c)
premisse
d)
karakterisering
3.
vaststelling, opmerking
a)
constatering
b)
doelstelling
c)
generalisatie
d)
opsomming
4.
nauwkeurige omschrijving van een bepaalde term
a)
definitie
b)
intentie
c)
consistentie
d)
paradox
5.
wat iemand wil bereiken
a)
doelstelling
b)
hoofdgedachte
c)
onderwerp
d)
reden
6.
argumenten die verkeerd gebruikt zijn en daarom fout
a)
drogredenen
b)
redenen
c)
argumentatieschema's
d)
redeneringen
7.
iets weergeven zonder een zin of zinsgedeelte letterlijk aan te halen; je mag in een zelfgeformuleerde zin wel belangrijke termen uit de tekst overnemen
a)
in eigen woorden
b)
citeren
c)
parafraseren
d)
samenvatten
8.
uitdrukkelijk
a)
expliciet
b)
impliciet
c)
intentie
d)
consistent
9.
medebepalend deel, medeoorzaak
a)
factor
b)
reden
c)
ontkrachting
d)
intentie
10.
woorden die aangeven welke functie een alinea of een groepje alinea's in een tekst heeft
a)
functiewoorden
b)
structuuraanduiders
c)
signaalwoorden
d)
drogredenen
11.
mening of gevoel van de schrijver met betrekking tot het onderwerp, bijvoorbeeld: spot, afkeer, bewondering,
a)
gevoelswaarde
b)
onderbouwing
c)
paradox
d)
schrijfdoel
12.
kernachtige omschrijving van een tekst of tekstgedeelte in één zin
a)
hoofdgedachte
b)
onderwerp
c)
samenvatting
d)
middenstuk
13.
kernachtige omschrijving van de vraag die in een tekst centraal staat
a)
hoofdvraag
b)
hypothese
c)
hoofdgedachte
d)
onderwerp
14.
te bewijzen veronderstelling
a)
hypothese
b)
hoofdgedachte
c)
hoofdvraag
d)
onderwerp
15.
inbegrepen, stilzwijgend eronder begrepen
a)
impliciet
b)
expliciet
c)
objectief
d)
definitie
16.
milde spot, waarbij je het tegengestelde zegt van wat je bedoelt
a)
ironie
b)
sarcasme
c)
cynisme
d)
intentie
17.
de voornaamste kenmerken van een verschijnsel
a)
karakterisering
b)
constatering
c)
onderbouwing
d)
premisse
18.
titel boven een of meer alinea's
a)
kopje
b)
schoteltje
19.
de manier om een doel te bereiken
a)
middel
b)
oplossing
c)
oorzaak
d)
definitie
Reset
