NEW
Font size
S
M
L
XL
Worksheetsgroep 4 wanneer/wie deel
Total questions: 10
Worksheet time: 20mins
Name
Class
Date
1.
Wat is het wie-deel?
Jaap en Iris gaan naar het station
Jaap en Iris gaan naar het station
a)
Jaap en Iris
b)
Jaap
c)
Naar het station
d)
station
2.
Wat is het wanneer-deel?
Wij gaan over een half uur buiten spelen.
Wij gaan over een half uur buiten spelen.
a)
half uur
b)
een half uur
c)
over een half uur
d)
buiten spelen
3.
Wat is het wanneer-deel?
Ik ga vanmiddag bij Lotte spelen.
Ik ga vanmiddag bij Lotte spelen.
a)
Bij Lotte
b)
vanmiddag bij Lotte
c)
vanmiddag
d)
spelen
4.
Wat is het wie-deel?
Op het schoolplein spelen de kleuters een leuk spel.
Op het schoolplein spelen de kleuters een leuk spel.
a)
spelen
b)
kleuters
c)
de kleuters
d)
een leuk spel
5.
Wat is het wanneer-deel?
Als het zomervakantie is, gaan wij op vakantie naar Frankrijk.
Als het zomervakantie is, gaan wij op vakantie naar Frankrijk.
a)
Als het zomervakantie is
b)
zomervakantie
c)
zomervakantie is
d)
op vakantie
6.
Wat is het wie-deel?
In de dierentuin wonen nu twee jonge panda's.
In de dierentuin wonen nu twee jonge panda's.
a)
panda's
b)
twee jonge panda's
c)
jonge panda's
d)
nu
7.
Wat is het wanneer-deel?
Mijn broertje gaat na school naar zwemles.
Mijn broertje gaat na school naar zwemles.
a)
school
b)
mijn broertje
c)
naar zwemles
d)
na school
8.
Wat is het wie-deel?
Als het pauze is, gaan de kinderen buiten spelen
Als het pauze is, gaan de kinderen buiten spelen
a)
de kinderen
b)
gaan
c)
buiten spelen
d)
kinderen
9.
Wat is het wanneer-deel?
Als het pauze is, gaan de kinderen buiten spelen
Als het pauze is, gaan de kinderen buiten spelen
a)
de kinderen
b)
als het pauze is
c)
buiten spelen
d)
kinderen
10.
Wat is het wie-deel?
Wij gaan nu met de taalles beginnen
Wij gaan nu met de taalles beginnen
a)
nu
b)
met de taalles beginnen
c)
wij gaan
d)
wij
Reset
