wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ondernemend gedra

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.
Het inkomen van de ondernemer is afhankelijk van het bedrijfsresultaat.
a)
Eens
b)
Oneens
2.
Pensioenopbouw is een eigen keuze van de werknemer.
a)
Eens
b)
Oneens
3.
Wat is een organisatie?
a)
Een samenwerking van mensen en machines.
b)
Een samenwerkingsverband van mensen om bepaalde doelen te bereiken.
c)
Iets dat geen winst wil maken.
4.
Wat zijn 4 kenmerken van een organisatie?
a)
Doelgericht, vastgelegde structuur, continuïteit en het gebruiken van middelen.
b)
Winst, verlies, samenwerking en coördinatie.
c)
Mensen, middelen, financiën en structuur.
5.
Wat is een organisatiestructuur?
a)
Verdeling van werkzaamheden over afdelingen en werknemers.
b)
Verschillende afdelingen.
c)
Verschillende werknemers.
6.
Wat gebruik je om een organisatiestructuur weer te geven?
a)
Balans
b)
Winst en verliesrekening
c)
Organogram
7.
Wat is het verschil tussen een lijnorganisatie en een lijn-staforganisatie?
a)
Een lijn-staforganisatie is eenvoudiger.
b)
Een lijn-staforganisatie heeft ook ondersteunende stafafdelingen.
c)
Een lijnorganisatie is onoverzichtelijker.
8.
Top-down besluitvorming is...
a)
Besluitvorming van bovenaf, dus vanaf de top (directie) van een organisatie.
b)
Besluitvorming op laag niveau, dus vanuit de werknemers.
9.
Wat is creativiteit?
a)
Goed kunnen schilderen
b)
Een gave dat niet valt aan te leren
c)
Het scheppen van iets nieuws
10.
Wat is innovatie?
a)
Het leveren van nieuwe producten of diensten tegen betaling
b)
Iets nieuw verzinnen
c)
Een creatief idee
11.
Wat is een referentiekader?
a)
Geheel aan ervaringen dat een persoon vanaf zijn jeugd heeft opgebouwd
b)
Een kader met daarin verschillende afbeeldingen
c)
Iets wat mensen van jou vinden
12.
Wat was het verschil tussen het Halo en Horn effect?
a)
Halo legt de nadruk op positieve eigenschappen, in tegenstelling tot Horn
b)
Horn legt de nadruk op positieve eigenschappen, in tegenstelling tot halo.
13.
Uit welke 3 fasen bestaat het creatieve denken?
a)

1. Startfase

2. Divergerende fase

3. Convergerende fase

b)


1. Startfase

2. Convergerende fase

3. Divergerende fase

14.
Wat is reflecteren?
a)
Jezelf een spiegel voorhouden.
b)
De achterlamp op de fiets.
15.
Waar kun je op reflecteren?
a)
Persoonlijk functioneren
b)
Beroepsmatig handelen
c)
Beroepsmatig handelen in de mataschappelijke context
d)
Alle 3 de antwoorden zijn goed.
16.
Waarom ga je reflecteren?
a)
Vergroten van je zelfkennis
b)
Bewust worden van de emoties die bij jou in bepaalde situaties een rol spelen
c)
Manier van werken en leven verbeteren
d)
Alle 3 de antwoorden zijn goed
17.
Wat is het verschil tussen reflecteren en evalueren?
a)
Bij reflecteren beoordeel je je acties terwijl je bij evalueren dit niet doet
b)
Bij reflecteren omschrijf je de situatie terwijl je bij evalueren de resultaten van je acties beoordeelt.
c)
Evalueren is de situatie omschrijven.
18.
Wat is communicatie?
a)
Uitwisselen van informatie, zowel verbaal als non-verbaal.
b)
Het verbaal uitwisselen van informatie
c)
Het non-verbaal uitwisselen van informatie.