NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsMeander groep 5 thema 1
Total questions: 15
Worksheet time: 11mins
Name
Class
Date
1.
Welke zin heeft te maken met aardrijkskunde?
a)
Ik wil graag weten wie de ouders van mijn opa en oma waren.
b)
Ik wil graag weten hoe de plaats, waar opa en oma woonden, eruit zag.
c)
Ik wil graag weten welke planeten er allemaal zijn.
d)
Ik wil graag weten hoe een lamp kan branden.
2.
Aardrijkskunde heeft te maken met...
a)
waarom gebouwen ergens wél staan en niet op een andere plaats.
b)
waarom mensen vroeger anders leefden dan nu.
c)
hoe een tv. of een computer werkt.
d)
waarom bomen hun bladeren in de herfst laten vallen.
3.
Een deel van een stad waar veel huizen staan en die meestal ook een eigen naam heeft, noemen we een...
a)
buurt.
b)
wijk.
c)
het centrum.
d)
industrieterrein.
4.
Wanneer je na school naar huis loopt, kun je veel dingen zien. Wat heeft niet met aardrijkskunde te maken?
a)
winkelcentrum
b)
kantoren
c)
wolken
d)
woonhuizen
5.
Een kamer, een klaslokaal, je slaapkamer. Het zijn voorbeelden van iets wat we een ... noemen.
a)
plattegrond
b)
omgeving
c)
ruimte
d)
heelal
6.
Waar alle spullen terecht komen in een huis, een klaslokaal of winkel noemen we de...
a)
uitstalling
b)
etalage
c)
ingang
d)
inrichting
7.
Welke spullen zul je niet in een huis of winkel tegenkomen?
a)
bankstel
b)
digibord
c)
kassa
d)
koffiezetapparaat
8.
Sommige dingen kun je op meerdere plekken neerzetten. Wat zal in de klas een vaste plaats hebben?
a)
een kast op wieltjes
b)
een leeshoek
c)
het bureau van de meester of juf
d)
het aanrecht
9.
Om te onthouden hoe je een ruimte hebt ingericht kun je het best...
a)
het net zo als ieder ander doen.
b)
het goed in je geheugen opnemen.
c)
een tekening ervan maken.
d)
er nooit iets aan veranderen.
10.
Een tekening van de inrichting zoals je het van boven zou zien, noem je een...
a)
plattegrond.
b)
foto.
c)
illustratie.
d)
afbeelding.
11.
Het is niet handig de tekening van een plattegrond net zo groot als in het echt te maken. We maken daarom alles evenveel kleiner. We tekenen...
a)
op stoel.
b)
op tafel.
c)
op schaal.
d)
op papier.
12.
Wat is het verschil tussen een kaart en een plattegrond?
a)
Een plattegrond is in zwart/wit en een kaart in kleur.
b)
een plattegrond is op schaal, een kaart is dat niet.
c)
Een plattegrond is voor jezelf, een kaart stuur je naar een ander.
d)
Een kaart is eigenlijk hetzelfde, maar het gaat om een veel groter gebied.
13.
Een kaart of plattegrond kun je gebruiken om...
a)
te alten zien aan je familie waar je bent.
b)
de (kortste) weg naar iets te vinden.
c)
te zien hoe een huis wordt gebouwd.
d)
wat een schaal is.
14.
Op een kaart zie je ... dan op een plattegrond.
a)
minder
b)
evenveel
c)
meer
15.
Op een kaart zie je vaak icoontjes (afbeeldingen) van iets. Als je wilt weten wat zo'n icoontje betekent, kijk je op de...
a)
app.
b)
foto, die iemand heeft gemaakt die er al eerder was.
c)
legenda.
d)
entreekaartjes (dat bewijs dat je bij de ingang betaald hebt, hebt gekregen.)
Reset
