NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsZelfstandige naamwoorden
Total questions: 11
Worksheet time: 6mins
Name
Class
Date
1.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Ik koop een bal.
Ik koop een bal.
a)
Ik
b)
koop
c)
een
d)
bal
2.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
De leerkracht is niet oud.
De leerkracht is niet oud.
a)
De
b)
leerkracht
c)
niet
d)
oud
3.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Hij koopt die auto.
Hij koopt die auto.
a)
Hij
b)
koopt
c)
die
d)
auto
4.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Zij knuffelt haar hond
Zij knuffelt haar hond
a)
Zij
b)
knuffelt
c)
haar
d)
hond
5.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Ik wil naar Amsterdam.
Ik wil naar Amsterdam.
a)
Ik
b)
wil
c)
naar
d)
Amsterdam
6.
De muis is ontsnapt
a)
De
b)
muis
c)
is
d)
ontsnapt
7.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Ze ligt in haar bed
Ze ligt in haar bed
a)
Ze
b)
ligt
c)
in
d)
bed
8.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
De lucht is erg mooi.
De lucht is erg mooi.
a)
De
b)
lucht
c)
erg
d)
mooi
9.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Mijn telefoon is nieuw
Mijn telefoon is nieuw
a)
Mijn
b)
telefoon
c)
is
d)
nieuw
10.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Zijn oma is jarig.
Zijn oma is jarig.
a)
zijn
b)
oma
c)
is
d)
jarig
11.
Wat kan een zelfstandig naamwoord zijn?
a)
hij, zij, ik
b)
de, het, een
c)
grote, kleine, bruine
d)
Mensen, dieren, dingen
Reset
