wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

redekundige grammatica klas 3

Total questions: 15

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Samengesteld: neven- of onderschikkend?

Dewi wist bijna zeker dat ze een nieuwe fiets ging kopen.

a)

Enkelvoudig

b)

Samengesteld nevenschikkend

c)

Samengesteld onderschikkend

2.

Wat is de bijzin: Wie van muziekprogramma's houdt, bevelen wij de uitzending van vanavond aan.

a)

Geen bijzin. Twee hoofdzinnen

b)

Wie van muziekprogramma's houdt

c)

Bevelen wij de uitzending van vanavond aan

3.

Naamwoordelijk of werkwoordelijk gezegde: Heeft de zon bij jullie nog geschenen?

a)

naamwoordelijk: heeft de zon geschenen

b)

naamwoordelijk: heeft geschenen

c)

werkwoordelijk: heeft geschenen

4.

Naamwoordelijk of werkwoordelijk gezegde: Ondanks de vervelende opmerkingen van de interviewer bleef de politicus aardig.

a)

werkwoordelijk: bleef

b)

werkwoordelijk: bleef aardig

c)

naamwoordelijk: bleef de politicus aardig

d)

naamwoordelijk: bleef aardig

5.

Zoek meewerkend voorwerp: De man zit aan de waterkant te vissen.

a)

Meewerkend vw.: aan de waterkant

b)

Meewerkend vw.: de man

c)

Geen meewerkend vw.

6.

Waar of niet: Als in een zin een naamwoordelijk gezegde heeft, staat er nooit een lijdend voorwerp in de zin.

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

Is het onderstreepte stuk een hoofdzin of een bijzin?

Deze meneer beweert dat een blaffende hond niet bijt.

a)

Hoofdzin

b)

Bijzin

8.

Is het onderstreepte stuk een hoofdzin of een bijzin?

Is die gitarist gestorven doordat hij veel slaappillen had geslikt?

a)

Hoofdzin

b)

Bijzin

9.
Wat voor zinsdeel is het roodgekleurde?
Volgende week organiseert die nieuwe kledingzaak op de hoek een modeshow
a)
persoonsvorm
b)
onderwerp
c)
meewerkend voorwerp
d)
lijdend voorwerp
10.
Wat voor zinsdeel is het roodgekleurde? De verkoopsters geven morgen folders en kortingsbonnen aan alle klanten.
a)
persoonsvorm
b)
onderwerp
c)
bijwoordelijke bepaling
d)
lijdend voorwerp
11.
Wat voor zinsdeel is het roodgekleurde? De verkoopsters geven morgen folders en kortingsbonnen aan alle klanten.
a)
onderwerp
b)
gezegde
c)
meewerkend voorwerp
d)
lijdend voorwerp
12.
Waar herken je een samengestelde zin aan?
a)
één onderwerp
b)
meerdere persoonsvormen
c)
één persoonsvorm
13.

Wat is het voegwoord in deze zin: Als je hard werkt op school, kun je later een goedbetaalde baan krijgen.

a)

als

b)

geen voegwoord

c)

kun

d)

krijgen

14.

Zoek bijw. bep.: Zonder zijn inzet was hij nooit in de examenklas gekomen.

a)

nooit

b)

zonder zijn inzet

c)

zonder zijn inzet/ in de examenklas

d)

zonder zijn inzet/ nooit / in de examenklas

15.

Als je een bijwoordelijke bepaling in een zin wilt zoeken, mag je de vraag WIE of WAT stellen. Waar of niet waar?

a)

Waar

b)

Niet waar