WorksheetsWaarnemen en reageren 3KGT
Total questions: 22
Worksheet time: 15mins
Name
Class
Date
1.
Wat zijn uitwendige prikkels?
a)
Geur, Temperatuur, licht, geluid
b)
Jeuk, honger, dorst, jeuk
2.
Wat is de drempelwaarde?
a)
geluid
b)
De maximale sterkte van een prikkel
c)
Impuls
d)
De minimale sterkte van een prikkel
3.
Wat zijn adequate prikkels voor de huid?
a)
Licht, geluid, smaak, temperatuur, pijn
b)
Warmte, kou, smaak, licht, pijn
c)
Geur, pijn, tast, druk, pijn
d)
Warmte, kou, tast, druk, pijn
4.
Via welke weg komt de prikkel licht in de hersenen?
a)
zintuig,pupil, less, glasachtig lichaam, blinde vlek, oogzenuw
b)
zintuig, impuls, lens, glasachtig lichaam, netvlies, blinde vlek, oogzenuw, hersenen
c)
Zintuig, impuls, hoornvlies, lens, glasachtig lichaam, netvlies, blinde vlek, oogzenuw, hersenen
d)
impuls, zintuig, hoornvlies, lens, netvlies, glasachtig lichaam, blinde vlek, oogzenuw, hersenen
5.
Welk onderdeel van het oor zorgt dat de luchtdruk aan beide kanten van het trommelvlies gelijk is?
a)
Oorschelp
b)
Buis van Eustachius
c)
Gehoorbeentjes
d)
Slakkenhuis
6.
Het centraal zenuwstelsel bestaat uit:
a)
Hersenen, Ruggenmerg en Zenuwen
b)
Hersenen
c)
Hersenen & Ruggenmerg
d)
Hersenen & Zzenuwen
7.
Wat is de juiste weg van een impuls?
a)
Zintuig, impuls, schakelzenuwcel, gevoelszenuwcel, bewegingszenuwcel, beweging
b)
Zintuig, impuls, gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, hersenen
c)
Zintuig, impuls, bewegingszenuwcel, schakelzenuwcel, hersenen, impuls, schakelzenuwcel, gevoelszenuwcel, gevoel
d)
Zintuig, impuls, gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, hersenen, impuls, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spier, beweging
8.
In de kleine hersenen:
a)
vindt bewustwording plaats
b)
worden onbewuste levensprocessen geregeld
c)
regelen reflexen
d)
zorgt voor de coördinatie van bewegingen en je evenwicht
9.
De hersenstam:
a)
regelt onbewuste levensprocessen en reflexen
b)
coördineert bewegingen en evenwicht
c)
Zet informatie vast in je geheugen
10.
De grote hersenen:
a)
coördineren evenwicht en beweging
b)
Zijn verbonden met diverse hersencentra en zetten verwerkte informatie vast in het geheugen
c)
regelen onbewuste levensprocessen en reflexen
11.
Een bewuste beweging gaat via deze weg:
a)
gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, hersenen, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
b)
Gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
12.
Een onbewuste beweging gaat via deze weg:
a)
gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, hersenen, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
b)
Gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
13.
Een onbewuste beweging ontstaat in:
a)
ruggenmerg of hersenstam
b)
ruggenmerg of grote hersenen
c)
grote hersenen en hersenstam
d)
Alle delen van de hersenen
14.
Reflexen gaan snel om je lichaam te beschermen tegen beschadigingen
a)
juist
b)
onjuist
15.
Wat zijn hormonen en waar worden ze gemaakt?
a)
Hormonen zijn regelstoffen en worden gemaakt in de hypofyse
b)
Hormonen zijn herkenningsstoffen en worden gemaakt in de hypofyse
c)
Hormonen zijn regelstoffen en worden gemaakt in hormoonklieren
d)
Hormonen zijn herkenningsstoffen en worden gemaakt in de hormoonklieren
16.
Functie van de hypofyse=
a)
Groeihormoon, hormonen waarmee de werking van andere hormoonklieren wordt geregeld.
b)
Schildklierhormoon. Dit hormoon regelt de snelheid waarmee verbranding in je lichaam plaatsvindt.
c)
Insuline en glucagon. Regelen de hoeveelheid glucose in het bloed.
d)
adrenaline. zorgt voor meer glucose in het bloed.
17.
Functie van de schildklier=
a)
Groeihormoon, hormonen waarmee de werking van andere hormoonklieren wordt geregeld.
b)
Schildklierhormoon. Dit hormoon regelt de snelheid waarmee verbranding in je lichaam plaatsvindt.
c)
Insuline en glucagon. Regelen de hoeveelheid glucose in het bloed.
d)
adrenaline. zorgt voor meer glucose in het bloed.
18.
Functie van de eilandjes van Langerhans=
a)
Groeihormoon, hormonen waarmee de werking van andere hormoonklieren wordt geregeld.
b)
Schildklierhormoon. Dit hormoon regelt de snelheid waarmee verbranding in je lichaam plaatsvindt.
c)
Insuline en glucagon. Regelen de hoeveelheid glucose in het bloed.
d)
adrenaline. zorgt voor meer glucose in het bloed.
19.
Functie van de bijnieren=
a)
Groeihormoon, hormonen waarmee de werking van andere hormoonklieren wordt geregeld.
b)
Schildklierhormoon. Dit hormoon regelt de snelheid waarmee verbranding in je lichaam plaatsvindt.
c)
Insuline en glucagon. Regelen de hoeveelheid glucose in het bloed.
d)
adrenaline. zorgt voor meer glucose in het bloed.
20.
De eierstokken maken het hormoon:
a)
oestrogeen
b)
testosteron
21.
Onder invloed van het hormoon oestrogeen:
a)
wordt het baarmoederslijmvlies dikker
b)
worden in de zaadballen zaadcellen gerpoduceerd
22.
Onder invloed van het hormoon testosteron:
a)
wordt het baarmoederslijmvlies dikker
b)
worden in de zaadballen zaadcellen gerpoduceerd
100 %
