NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsWIG Boek A Blok 4 Grp 7
Total questions: 41
Worksheet time: 21mins
Name
Class
Date
1.
a)
60 %
b)
40 %
c)
50 %
d)
55 %
2.
a)
90 %
b)
95 %
c)
80 %
d)
10 %
3.
a)
90 %
b)
95 %
c)
80 %
d)
10 %
4.
a)
liniaal A
b)
liniaal B
c)
liniaal C
d)
liniaal D
5.
a)
liniaal A
b)
liniaal B
c)
liniaal C
d)
liniaal D
6.
a)
liniaal A heeft een streepje op 22 %
b)
liniaal B heeft een streepje op 42 %
c)
liniaal C heeft een streepje op 8 %
d)
linaal D heeft een streepje op 18 %
7.
a)
Liniaal A heeft een streepje bij 21 %
b)
Liniaal B heeft een streepje bij 24 %
c)
Liniaal C heeft een streepje bij 54 %
d)
Liniaal D heeft een streepje bij 49 %
8.
a)
liniaal A = 60 % liniaal B = 45 %
b)
liniaal A = 70 % liniaal B = 55 %
c)
liniaal A = 60 % liniaal B = 55 %
d)
liniaal A = 70 % liniaal B = 65 %
9.
a)
liniaal A is voor 38 % gekleurd.
b)
liniaal B is voor 63 % gekleurd.
c)
liniaal A is voor 48 % gekleurd.
d)
liniaal B is voor 43 % gekleurd.
10.
a)
De 5 in dit getal is 5000 waard.
b)
De 3 in dit getal is 30.000 waard.
c)
De 6 in dit getal is 6000 waard.
d)
De 2 in dit getal is 20 waard.
11.
a)
De 6 is 60 waard in dit getal.
b)
De 2 is 20.000 waard in dit getal.
c)
De 3 is 30.000 waard in dit getal.
d)
De 9 is 90.000 waard in dit getal.
12.
a)
De 3 is 300.000 waard in dit getal.
b)
De 1 is 10.000 waard in dit getal.
c)
De 7 is 7000 waard in dit getal.
d)
De 8 is 8000 waard in dit getal.
13.
a)
De 5 is 5000 waard in dit getal.
b)
De 9 is 900.000 waard in dit getal.
c)
De 4 is 4000 waard in dit getal.
d)
De 2 is 20 waard in dit getal.
14.
a)
11101
b)
9889
c)
8899
d)
104045
15.
a)
189.329
b)
210.671
c)
189.679
d)
1.074.887
16.
a)
15 minuten
b)
25 minuten
c)
30 minuten
d)
1 uur
17.
a)
30 minuten
b)
1 uur
c)
2 uur
d)
90 minuten
18.
a)
50
b)
30
c)
20
d)
18
19.
a)
120
b)
200
c)
60
d)
150
20.
a)
20
b)
60
c)
40
d)
30
21.
a)
20 minuten
b)
15 minuten
c)
30 minuten
d)
40 minuten
22.
a)
In het echt is de afstand 800.000 km
b)
In het echt is de afstand 8000 km
c)
In het echt is de afstand 8 km
d)
In het echt is de afstand 0,8 km
23.
a)
In de werkelijkheid is deze afstand 1.000.000 km
b)
In de werkelijkheid is deze afstand 10 km
c)
In de werkelijkheid is deze afstand 1 km
d)
In de werkelijkheid is deze afstand 1000 km
24.
a)
Op deze kaart meet ik 5 kilometer met mijn liniaal.
b)
Op deze kaart meet ik 6 centimeter met mijn liniaal.
c)
Op deze kaart meet ik 6 kilometer met mijn liniaal.
d)
Op deze kaart meet ik 5 centimeter met mijn liniaal.
25.
a)
Op de kaart meet ik 600.000 cm.
b)
Op de kaart meet ik 12 km.
c)
Op de kaart meet ik 12 cm.
d)
Op de kaart meet ik 3 cm.
26.
a)
In de werkelijkheid is het 3.000.000 km.
b)
In de werkelijkheid is het 30 cm.
c)
In de werkelijkheid is het 30 km.
d)
In de werkelijkheid is het 300 km.
27.
a)
De echte afstand ligt tussen de 35 en 40 km.
b)
De echte afstand ligt tussen de 30 en 35 km.
c)
De echte afstand ligt tussen de 25 en 30 km.
d)
De echte afstand is meer dan 40 km.
28.
a)
30 kilometer op de kaart.
b)
30 centimeter op de kaart.
c)
3 centimeter op de kaart.
d)
3.000.000 centimeter op de kaart.
29.
a)
3 centimeter op de kaart.
b)
7 centimeter op de kaart.
c)
4 centimeter op de kaart.
d)
5 centimeter op de kaart.
30.
a)
4 kilometer
b)
8 kilometer
c)
400.000 kilometer
d)
800.000 kilometer
31.
a)
6 centimeter
b)
5,5 centimeter
c)
5 centimeter
d)
5 kilometer
32.
a)
29.673
b)
4320
c)
28.620
d)
28.673
33.
a)
6.669
b)
6.660
c)
60.021
d)
59.940
34.
a)
Een fout in een tafelsom gemaakt.
b)
Verkeerd onder elkaar gezet.
c)
De nul vergeten bij het uitrekenen van de tientallen.
d)
Deze som is goed uitgerekend.
35.
a)
61.332
b)
10.491
c)
62.092
d)
62.332
36.
a)
27.506
b)
26.326
c)
4.494
d)
27.606
37.
a)
80 leerlingen komen met de bus.
b)
80 leerlingen komen lopend.
c)
300 leerlingen komen op de fiets.
d)
150 leerlingen komen met de bus of lopend.
38.
a)
50 leerlingen komen lopend.
b)
50 leerlingen komen met de fiets.
c)
100 leerlingen komen met de bus.
d)
125 leerlingen komen met de bus.
39.
a)
100 kinderen doen aan judo.
b)
120 kinderen zitten op korfbal.
c)
75 leerlingen zitten op zwemmen.
d)
80 kinderen zitten op tennis.
40.
a)
160 kinderen zitten op judo of zwemmen.
b)
200 kinderen zitten op korfbal of tennis.
c)
160 kinderen zitten op judo of tennis.
d)
160 kinderen zitten op judo of zwemmen.
41.
a)
van de 100 mensen , zijn er 20 bang voor spinnen.
b)
van de 100 mensen, zijn er 25 bang voor spinnen.
c)
van de 100 mensen, zijn er 30 bang voor spinnen.
d)
van de 100 mensen, zijn er 40 bang voor spinnen.
Reset
