wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lezen

Total questions: 23

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.
Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je
a)
alinea
b)
onderwerp
c)
hoofdgedachte
d)
tussenkopje
2.
Je kunt met één of met een paar woorden zeggen wat het onderwerp is
a)
goed
b)
fout
3.
Om het onderwerp te vinden, hoef je een tekst niet helemaal te lezen.
a)
goed
b)
fout
4.
Je bekijkt de tekst en je leest de eerste alinea.
a)
oriënterend lezen
b)
globaal lezen
c)
studerend lezen
d)
Zoekend lezen
5.
• Bekijk de tekst:  – Kijk naar de titel. – Kijk naar de foto’s en plaatjes bij de tekst.  –  Kijk naar lijstjes, rijtjes of schema’s die er misschien bij staan.  –  Kijk naar tussenkopjes (als die er zijn); een tussenkopje is de ‘titel’ van een tekstgedeelte.  – Let op anders gedrukte letters (vet, cursief, GROOT of gekleurd).  • Lees de eerste alinea; meestal is die vetgedrukt. • Geef antwoord op de vraag: waarover gaat deze tekst?
a)
zo vind je de alinea's
b)
zo vind je de hoofdgedachte
c)
zo vind het onderwerp
6.
Een tekst is meestal verdeeld in een middenstuk (kern) en een slot.

a)
goed
b)
fout
7.
Vaak worden er in het middenstuk verschillende delen van het onderwerp besproken. Dit noemen we
a)
alinea's
b)
inleiding
c)
tussenkopjes
d)
deelonderwerpen
8.
Hierin wordt duidelijk wat het onderwerp van de tekst is.
a)
in het middenstuk
b)
in het slot
c)
in de inleiding
9.
Hierin wordt het belangrijkste uit de tekst kort herhaald.

a)
in de inleiding
b)
in het middenstuk
c)
in het slot
10.
Wat is een synoniem
a)
Een synoniem is een ander woord met dezelfde betekenis.
b)
een woord die je fonetisch schrijft
c)
1 woord met 2 verschillende betekenissen
11.
Een onbekend woord in een tekst kun je soms begrijpen doordat er een omschrijving van het woord bij staat.
a)
waar
b)
niet waar
12.
In deze berichten staat het belangrijkste altijd in het eerste deel van de tekst. Het tweede deel geeft extra informatie.
a)
in een roman
b)
in een tijdschrift
c)
in een nieuwsbericht
13.
In teksten staan soms voorbeelden om moeilijke woorden uit te leggen. Dan weet je meteen wat de schrijver bedoelt. Bij een voorbeeld vind je vaak
a)
moeilijke woorden
b)
belangrijke woorden
c)
signaalwoorden
14.
De hoofdgedachte van een tekst is één volledige zin, die samenvat wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt.
a)
fout
b)
goed
15.
Ook een dubbele punt (:) kan aangeven dat er voorbeelden volgen
a)
fout
b)
goed
16.
De hoofdgedachte staat meestal in de
a)
middenstuk-slot
b)
inleiding of in het slot.
c)
inleiding- middenstuk
17.
Je leest de tekst dan van het begin tot aan het eind goed door.
a)
globaal lezen
b)
zoekend lezen
c)
precies lezen
18.
Je hoeft dan niet de hele tekst te lezen, maar alleen het stukje tekst dat je nodig hebt.
a)
globaal lezen
b)
precies lezen
c)
zoekend lezen
19.
Lees de eerste en laatste zin van iedere alinea. • Ga na wat er in de verschillende alinea’s over het onderwerp staat. • Bekijk welke alinea’s over hetzelfde deel van het onderwerp gaan. Let vooral goed op de eerste zin van een alinea. Zo vind je
a)
het onderwerp
b)
hoofdgedachte
c)
deelonderwerpen
20.
De belangrijkste informatie over een deelonderwerp staat vaak in de eerste zin van de alinea. Wil je snel de belangrijkste informatie uit een tekst halen, lees dan de tekst .............? Je leest dan de eerste en de laatste zin van de alinea’s.
a)
oriënterend
b)
zoekend
c)
globaal
d)
precies
21.
. Dokter en arts zijn
a)
homoniemen
b)
synoniemen
22.
Soms gaat één alinea over één deelonderwerp, soms gaan meer alinea’s over één deelonderwerp. In dat laatste geval staat boven het tekstgedeelte vaak een
a)
cursief woord
b)
tussenkopje
c)
het onderwerp
23.
De belangrijkste informatie over een deelonderwerp staat vaak in de laatste zin van de alinea.
a)
dit is goed
b)
fout, het is de eerste zin