Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3AB kader Aan de slag!

Total questions: 23

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Als je ergens gaat werken, sluit je een ....

a)

proeftijd

b)

CAO

c)

arbeidsovereenkomst

d)

baan

2.

In een overeenkomst staat o.a. hoeveel uur per week je werkt, wat je loon is en hoeveel vakantiedagen je hebt, dat noem je een ...

a)

CAO

b)

arbeidsovereenkomst

c)

deeltijdbaan

d)

voltijdbaan

3.

Een groep gelijksoortige bedrijven zoals de horeca, bouw of gezondheidszorg noem je ..

a)

ondernemingsvorm

b)

de arbowet

c)

uitzendwerk

d)

één bedrijfstak

4.

CAO betekent

a)

Collectieve Algemene Ouderdomswet

b)

Centrale Arbeidsomstandigheden

c)

Collectieve Arbeidsovereenkomst

d)

Centrale Arbeidsovereenkomst

5.

Bij een nieuwe baan spreek je meestal een proeftijd af om te kijken of het bevalt. Tijdens de proeftijd mogen zowel werknemer als de werkgever op ieder moment de arbeidsovereenkomst beëindigen. Alleen bij tijdelijk werk korter dan ..... is een proeftijd niet toegestaan.

a)

3 maanden

b)

een half jaar

c)

9 maanden

d)

een jaar

6.

Bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, ben je in vaste dienst.

a)

dat is juist

b)

dat is onjuist

7.

Een voltijdbaan is altijd 40 uur per week.

a)

dat is juist

b)

dat is onjuist

8.

Werken via een uitzendbureau is een voorbeeld van een flexibele baan.

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

9.

Bij ontslag op staande voet, geldt een opzegtermijn van twee maanden.

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

10.

Welke wet geeft regels voor werk- en rusttijden. En gelden voor jongeren aparte regels, afhankelijk van hun leeftijd.

a)

Arbowet

b)

Arbeidstijdenwet

c)

Algemene ouderdomswet

d)

Wettelijk minimumloon

11.

Er zijn vier productiesectoren. Onder welke sector vallen een politieman en een chirurg

a)

primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

d)

quartaire sector

12.

Er zijn vier productiesectoren. Onder welke sector valt een tomatenkweker

a)

primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

d)

quartaire sector

13.

Er zijn vier productiesectoren. Onder welke sector valt een taxichauffeur

a)

primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

d)

quartaire sector

14.

Er zijn vier productiesectoren. Onder welke sector vallen een slager en een stratenmaker

a)

primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

d)

quartaire sector

15.

Aandelen die je op de beurs kunt kopen, zijn van een nv (=naamloze vennootschap)

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

16.

De winst die een bv of nv uitkeert, noem je dividend.

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

17.

Een eenmanszaak kan geen personeel in dienst hebben.

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

18.

Aandeelhouders van een bv moeten met hun privégeld de schulden van dat bedrijf betalen.

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

19.

Als je het hebt over het geheel van vraag naar arbeid en aanbod van arbeid, dan bedoel je daarmee…

a)

de arbeidsmarkt

b)

beroepsbevolking

c)

de vacatures

d)

de werkgelegenheid

20.

Omdat bepaald werk maar in een deel van het jaar kan worden gedaan, ontstaat er ...

a)

geregistreerde werkloosheid

b)

verborgen werkloosheid

c)

seizoenswerkloosheid

d)

regionale werkloosheid

21.

Als de koopkracht van de mensen daalt en er daardoor minder vraag naar producten is, ontstaat er ...

a)

Conjuncturele werkloosheid

b)

Frictiewerkloosheid

c)

Structurele werkloosheid

d)

Verborgen werkloosheid

22.

Als mensen ontslagen worden duurt het een tijdje voor ze een nieuwe baan hebben en ontstaat er ...

a)

conjuncturele werkloosheid

b)

structurele werkloosheid

c)

frictiewerkloosheid

d)

regionale werkloosheid

23.

Wanneer is de kans groot dat de vraag naar producten daalt?

a)

Als de btw op goederen en diensten omlaag gaat

b)

Als de mensen meer sociale premies over hun inkomen betalen

c)

Als de mensen minder belasting over hun inkomen betalen

d)

Als de prijzen dalen