wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 5 Sterk Werk

Total questions: 53

Worksheet time: 36mins

Name
Class
Date
1.

De kracht op de afbeelding heeft een

a)

dynamisch effect

b)

statisch effect

2.

De kracht op de afbeelding heeft een

a)

dynamisch effect

b)

statisch effect

3.

De kracht op de afbeelding heeft een

a)

dynamisch effect

b)

statisch effect

4.

De kracht op de afbeelding heeft een

a)

dynamisch effect

b)

statisch effect

5.

De kracht op de afbeelding heeft een

a)

dynamisch effect

b)

statisch effect

6.

De kracht op de afbeelding heeft een

a)

dynamisch effect

b)

statisch effect

7.

De kracht op de afbeelding heeft een

a)

dynamisch effect

b)

statisch effect

8.

De kracht op de afbeelding heeft een

a)

dynamisch effect

b)

statisch effect

9.

De kracht op de afbeelding heeft een

a)

dynamisch effect

b)

statisch effect

10.

Het symbool voor massa is ...

a)

kg

b)

m

c)

N

d)

F

11.

Een kracht is ...

a)

een eenheid

b)

een grootheid

c)

een volume

d)

een massa

12.

Je draagt een boekentas van 7 kg. Deze 7 kg is ...

a)

een gewicht

b)

een volume

c)

een massa

d)

een kracht

13.

Als een appel valt, dan ...

a)

heeft hij gewicht

b)

heeft hij geen massa

c)

ondergaat hij zwaartekracht

14.

Welk van deze onderstaande voorwerpen oefent een kracht uit van ongeveer 1N?

a)

100 gram salami

b)

een laptop

c)

fles water van 2l

d)

vulpen

e)

pak suiker van 1 kg

15.

Welke van onderstaande formules is de formule voor zwaartekracht?

a)

F=pAF=p\cdot A  

b)

p=FAp=\frac{F}{A}  

c)

m=F10Nkgm=F\cdot10\frac{N}{kg}  

d)

F=m10NkgF=m\cdot10\frac{N}{kg}  

e)

F=mpF=m\cdot p  

16.

Welke van de onderstaande formules is de formule voor druk ?

a)

p=mAp=\frac{m}{A}  

b)

p=FAp=\frac{F}{A}  

c)

p=F10Nkgp=\frac{F}{10\frac{N}{kg}}  

d)

p=F10Nkgp=\frac{F}{10\frac{N}{kg}}  

17.

Met welk van de onderstaande formules kan je de oppervlakte berekenen?

a)

A=FpA=F\cdot p  

b)

A=pFA=p\cdot F  

c)

A=mpA=m\cdot p  

d)

A=pFA=\frac{p}{F}  

e)

A=FpA=\frac{F}{p}  

18.

Met welk van de onderstaande formules kan je de kracht berekenen.

(meerdere juiste antwoorden)

a)

F=pAF=\frac{p}{A}  

b)

F=mAF=m\cdot A  

c)

F=pAF=p\cdot A  

d)

F=m10NkgF=m\cdot10\frac{N}{kg}

e)

F=p10NkgF=\frac{p}{10\frac{N}{kg}}  

19.

Hoeveel druk oefent een zak suiker van 1kg uit op een tafel van 1 m²?

a)

10 Pa

b)

1 Pa

c)

0,5 Nm2\frac{N}{m^2}

d)

100 Nm2\frac{N}{m^2}

e)

1 Bar

20.

Het symbool voor kracht is ...

a)

kg

b)

m

c)

N

d)

F

21.

De eenheid van gewicht is ...

a)

Newton / kilogram

b)

kracht

c)

massa

d)

kilogram

e)

Newton

22.

De eenheid van kracht is ...

a)

Newton

b)

kilogram

c)

massa

d)

Newton / kilogram

e)

gewicht

23.

De eenheid van massa is ...

a)

Newton

b)

kilogram

c)

Pascal

d)

Newton / kilogram

e)

gewicht

24.

F=m10 ...F=m\cdot10\ ...  

Welke eenheid hoort bij 10 in de bovenstaande formule?

a)

Newton / kilogram

b)

Pascal

c)

Newton / m²

d)

kilogram

e)

Newton

25.

De eenheid van druk is ...

(meerdere juiste antwoorden)

a)

Pascal

b)

Newton / kilogram

c)

Newton / m²

d)

Newton

e)

kilogram

26.

Het symbool voor druk is ...

a)

p

b)

P

c)

Pa

d)

F

e)

N

27.

Het symbool van kracht is ...

a)

P

b)

Pa

c)

F

d)

N

e)

N / kg

28.

De eenheid van A is ...

a)

N / kg

b)

N / m²

c)

d)

Pa

e)

N

29.

Welk evenwicht zie je op de afbeelding?

a)

stabiel evenwicht

b)

labiel evenwicht

c)

onverschillig evenwicht

30.

Welk evenwicht zie je op de afbeelding?

a)

stabiel evenwicht

b)

labiel evenwicht

c)

onverschillig evenwicht

31.

Welk evenwicht zie je op de afbeelding?

a)

stabiel evenwicht

b)

labiel evenwicht

c)

onverschillig evenwicht

32.

Welk evenwicht zie je op de afbeelding?

a)

stabiel evenwicht

b)

labiel evenwicht

c)

onverschillig evenwicht

33.

Welk evenwicht zie je op de afbeelding?

a)

stabiel evenwicht

b)

labiel evenwicht

c)

onverschillig evenwicht

34.

Welk evenwicht zie je op de afbeelding?

a)

stabiel evenwicht

b)

labiel evenwicht

c)

onverschillig evenwicht

35.

Welk evenwicht zie je op de afbeelding?

a)

stabiel evenwicht

b)

labiel evenwicht

c)

onverschillig evenwicht

36.

Welk evenwicht zie je op de afbeelding?

a)

stabiel evenwicht

b)

labiel evenwicht

c)

onverschillig evenwicht

37.

Bereken de druk die een vrouw van 45 kg uitoefent op haar hakken. (Oppervlakte hakken is 100cm²)

a)

450 Pa

b)

4,5 Pa

c)

45 000 Pa

d)

450 000 Pa

e)

45 Pa

38.

Druk en kracht zijn ... grootheden

a)

rechtevenredige

b)

niet evenredige

c)

omgekeerd evenredige

39.

Druk en oppervlakte zijn ... grootheden

a)

rechtevenredige

b)

niet evenredige

c)

omgekeerd evenredige

40.

Kracht en oppervlakte zijn ... grootheden

a)

rechtevenredige

b)

niet evenredige

c)

omgekeerd evenredige

41.

Zwaartekracht en massa zijn ... grootheden

a)

rechtevenredige

b)

niet evenredige

c)

omgekeerd evenredige

42.

Welk verband herken je op de afbeelding?

a)

rechtevenredige

b)

niet evenredige

c)

omgekeerd evenredige

43.

Welk verband herken je op de afbeelding?

a)

rechtevenredige

b)

niet evenredige

c)

omgekeerd evenredige

44.

Welk verband herken je op de afbeelding?

a)

rechtevenredige verband

b)

niet evenredige verband

c)

omgekeerd evenredige verband

45.

Welk verband herken je op de afbeelding?

a)

rechtevenredige verband

b)

niet evenredige verband

c)

omgekeerd evenredige verband

46.

Je kan de druk vergroten door ...

(meerdere juiste antwoorden)

a)

het oppervlakte te vergroten

b)

het oppervlakte te verkleinen

c)

de kracht te vergroten

d)

de kracht te verkleinen

47.

Je kan de druk verkleinen door ...

(meerdere juiste antwoorden)

a)

het oppervlakte te vergroten

b)

het oppervlakte te verkleinen

c)

de kracht te vergroten

d)

de kracht te verkleinen

48.

Welke stap in een wetenschappelijk experiment kan je hieronder herkennen?


Kan je een glas met water omdraaien zonder dat er water uitvalt?

a)

probleemstelling / onderzoeksvraag

b)

benodigdheden

c)

werkwijze / uitvoering

d)

waarneming

e)

besluit / verklaring

49.

Welke stap in een wetenschappelijk experiment kan je hieronder herkennen?


□ Karton (bierviltje)

□ Glas

□ Water

a)

probleemstelling / onderzoeksvraag

b)

benodigdheden

c)

werkwijze / uitvoering

d)

waarneming

e)

besluit / verklaring

50.

Welke stap in een wetenschappelijk experiment kan je hieronder herkennen?


1. Vul het glas tot aan de rand met water.

2. Leg het karton (bierviltje) op het glas met water.

3. Druk het kartonnetje een beetje aan.

4. Blijf het kartonnetje ondersteunen terwijl je het glas omdraait.

a)

probleemstelling / onderzoeksvraag

b)

benodigdheden

c)

werkwijze / uitvoering

d)

waarneming

e)

besluit / verklaring

51.

Welke stap in een wetenschappelijk experiment kan je hieronder herkennen?


Het water en karton valt niet als je het glas omdraait.

a)

probleemstelling / onderzoeksvraag

b)

benodigdheden

c)

werkwijze / uitvoering

d)

waarneming

e)

besluit / verklaring

52.

Welke stap in een wetenschappelijk experiment kan je hieronder herkennen?


De druk in water is kleiner als de luchtdruk. Hierdoor valt het kartonnetje en het water niet op de grond. Het kartonnetje wordt door de grote luchtdruk tegen het glas geduwd.

a)

probleemstelling / onderzoeksvraag

b)

benodigdheden

c)

werkwijze / uitvoering

d)

waarneming

e)

besluit / verklaring

53.

Stel dat de totale oppervlakte van een menselijk lichaam 0,0985 m² bedraagt. Hoeveel is die kracht bij een luchtdruk van 103 000 Pa?

a)

10 145,50 N

b)

1 014 550 N

c)

10 300 N

d)

11 230 N

e)

100 345N