wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Produceren, pincode vmbo bk2, h3

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Wat is produceren?

a)

Het maken van goederen.

b)

Het leveren van diensten.

c)

Het maken van goederen en het leveren van diensten.

d)

Het goede antwoord staat er niet bij.

2.

Het verlenen van een dienst is:

a)

Het maken van een brood.

b)

Een vakantiereis organiseren.

c)

Het maken van een paar schoenen.

d)

Een film in de bioscoop bezoeken.

3.

Welke bedrijven produceren goederen?

a)

groenteboer, Blokker, Jumbo

b)

reisburo, transportbedrijf, tandarts

c)

Albert Heijn, kledingzaak, schoenenwinkel

d)

fietsenfabriek, drukkerij van boeken, broodfabriek

4.

Hoe noem je een schema dat de weg laat zien van grondstof tot eindproduct?

a)

Waterkolom

b)

Oerproducent

c)

Bedrijfskolom

d)

Het goede antwoord staat er niet bij

5.

Wat staat er in een bedrijfskolom altijd bovenaan?

a)

Producent

b)

(Oer)producent

c)

Consument

d)

Detailhandel

6.

In welk rijtje staan alleen maar grondstoffen?

a)

graan, computer, aardappelen

b)

computergame, groente, leer

c)

bomen, melk, ijzererts

d)

schoolboek, smartphone, T-shirt

7.

Wat zijn voorbeelden van dienstverlenende bedrijven?

a)

tandartsen, reisburo's

b)

akkerbouwbedrijven, veeteeltbedrijven

c)

autofabriek, fietsenfabriek

d)

huisartsen, broodfabriek

8.

Waar halen agrarische bedrijven hun grondstoffen vandaan?

a)

Uit de natuur

b)

Uit de industrie

c)

Bij andere fabrieken

d)

Het goede antwoord staat er niet bij

9.

Is hier sprake van een dienst of van een goed?

a)

een dienst

b)

een goed

c)

het goede antwoord staat er niet bij

10.

Van links naar rechts is de goede volgorde:

a)

industrieel, dienstverlenend, agrarisch

b)

industrieel, agrarisch, dienstverlenend

c)

agrarisch, industrieel, dienstverlenend

d)

dienstverlenend, agrarisch, dienstverlenend

11.

Als je iets koopt moet je BTW betalen. Wat betekent BTW?

a)

belasting over de toegevoegde waarde

b)

bijzonder toegevoegde waarde

c)

belasting op de toegevoegde waarde

d)

het goede antwoord staat er niet bij

12.

Hoeveel procent is de BTW in Nederland?

a)

6 en 19 (21)

b)

5 en 25

c)

3 en 21 (22)

d)

Het goede antwoord staat er niet bij

13.

Wat mag de winkelier met de BTW doen?

a)

zelf houden

b)

betalen aan de overheid

c)

aan een andere winkelier geven

d)

uitlenen aan een andere winkelier

14.

Het bedrag zonder BTW is € 2,-. De BTW is 21%, hoeveel is het bedrag inclusief BTW?

a)

€ 2,-

b)

€ 2,12

c)

€ 2,20

d)

€ 2,42

15.

Als de BTW 21% is, welk deel van de prijs (exclusief BTW) moet je dan bij de prijs optellen?

a)

ongeveer 1/2 deel

b)

ongeveer 1/3 deel

c)

ongeveer 1/4 deel

d)

ongeveer 1/5 deel