wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

grammatica blok 4, v2v

Total questions: 10

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Welke bewering is niet waar:

a)

Samengestelde zinnen hebben meer dan 1 persoonsvorm.

b)

Samengestelde zinnen hebben meer den 1 onderwerp.

c)

Samengestelde zinnen zijn zinnen waar je de vraagproef niet op kunt toepassen.

d)

Samengestelde zinnen bevatten woorden als: kastdeurtje, koelkast, hoofddeksel, Koninginnedag.

2.

Een hoofdzin is een zin:

a)

Waar onderwerp en persoonsvorm naast elkaar staan en ook niet uit elkaar komen te staan als je er zelf bijwoordelijke bepalingen aan toevoegt (zoals: niet), bijvoorbeeld: Ik sta hier goed.

b)

Het deel van de zin dat voor het voorwoord staat.

c)

Het deel van de zin dat na het voegwoord staat.

d)

De zin die iets zegt over de andere zin in de samengestelde zin.

3.

Een bijzin is:

a)

Het deel van de samengestelde zin dat na het voegwoord staat.

b)

Het belangrijkste deel van de samengestelde zin.

c)

Een deel van een samengestelde zin waarin onderwerp en persoonsvorm niet noodzakelijk naast elkaar staan. Deze zin zegt iets over de hoofdzin.

4.

Nevenschikkende voegwoorden zijn:

a)

want, maar, en, of, dus

b)

zodat, doordat, omdat, of, maar

c)

zodat, doordat, omdat, totdat, dat

5.

Voegwoorden:

a)

Woorden die twee zinnen aan elkaar voegen tot een samengestelde zin.

b)

Woorden die je kunt vervoegen zodat ze een handeling uitdrukken.

c)

Woorden die je gemakkelijk kunt weglaten uit een samengestelde zin.

d)

Woorden die geen betekenis hebben.

6.

Onderschikkende voegwoorden:

a)

Verbinden altijd hoofdzinnen met hoofdzinnen.

b)

Verbinden altijd bijzinnen met bijzinnen.

c)

Verbinden altijd hoofdzinnen met bijzinnen.

d)

Verbinden alle soorten zinnen met elkaar.

7.

Of:

a)

is geen voegwoord

b)

kan zowel gebruikt worden als onderschikkend als nevenschikkend voegwoord

c)

verbindt alleen hoofdzinnen met elkaar

d)

verbindt alleen bijzinnen met elkaar

8.

Het oude strandhuisje bij Zoutelande is door de storm verwoest, waardoor de huurders er niet meer kunnen verblijven.

a)

hoofdzin + hoofdzin

b)

bijzin + bijzin

c)

bijzin + hoofdzin

d)

hoofdzin + bijzin

9.

Woorden die je gemakkelijk kunt weglaten uit een zin (niet, ook, al, wel, toch) zijn:

a)

neven- of onderschikkende voegwoorden

b)

bijwoordelijke bepalingen

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

10.

Welke zin bevat een voorzetselvoorwerp:

a)

Hij laat alvast het bad vollopen.

b)

De gokverslaafde hoopt op de jackpot.

c)

Ik heb de pop aangekleed.

d)

Hij geeft de pijp aan Maarten.