wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Blok 4 V2

Total questions: 14

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Een bijzin is:

a)

In de bijzin staan onderwerp en persoonsvorm naast elkaar. Er passen geen andere woorden tussen.

b)

Een bijzin herhaalt de hoofdzin in andere woorden.

c)

Een bijzin is een zin die deel uitmaakt van de hoofdzin. In de bijzin staan onderwerp en persoonsvorm vaak ver uit elkaar, er passen dus wel andere woorden tussen het onderwerp en de persoonsvorm.

d)

Een bijzin is net zo belangrijk als de hoofdzin.

2.

Nevenschikkende voegwoorden verbinden:

a)

twee hoofdzinnen

b)

twee bijzinnen

c)

een hoofdzin en een bijzin

d)

twee hoofdzinnen of twee bijzinnen

3.

Hij heeft begrepen dat ik gisteren een standje heb gekregen. De hoofdzin is:

a)

Hij heeft begrepen

b)

dat ik heb gekregen

c)

dat ik gisteren een standje heb gekregen

d)

Hij heeft niet begrepen

4.

Voorbeelden van nevenschikkende voegwoorden zijn:

a)

omdat, doordat, voordat, of

b)

en, maar, want, of

c)

aangezien, hoewel, indien, mits, tenzij, terwijl

d)

toen, ofschoon, zodra

5.

Een samengestelde zin:

a)

heeft een persoonsvorm

b)

heeft meer dan een persoonsvorm

c)

heeft meer dan een persoonsvorm, maar heeft altijd een hoofdzin

d)

heeft meer dan een persoonsvorm en heeft niet altijd een hoofdzin

6.

Om te testen of een gedeelte van een zin met een persoonsvorm een hoofd- of bijzin is:

a)

Kijk je of je woorden tussen het onderwerp en de pv kunt krijgen. Kan dat niet? Dan heb je te maken met een bijzin.

b)

Kijk je of je woorden tussen het onderwerp en de pv kunt krijgen. Kan dat niet? Dan heb je te maken met een hoofdzin.

c)

Kijk je of je woorden tussen het onderwerp en de pv kunt krijgen. Kan dat? Dan heb je te maken met een hoofdzin.

7.

De hoofdregel is dat je in samenstellingen:

a)

een tussen-n schrijft

b)

geen tussen-n schrijft

8.

Correcte samenstellingen zijn:

a)

roggenbrood, etagenwoning, lindenbloesem

b)

roggebrood, etagewoning, lindenbloesem

c)

roggenbrood, etagewoning, lindebloesem

d)

roggebrood, etagewoning, lindebloesem

9.

Correct is:

a)

basis- en middelbare school

b)

basis en middelbare- school

c)

middelbare- en basisschool

d)

basis en middelbare school

10.

Correct is de plaatsing van de apostrof in:

a)

Lars' plan, s' avonds, dv'dtje

b)

Lars's plan, 's avonds, dv'dtje

c)

Lars' plan, 's avonds, dvd'tje

d)

Lars plan, s avond's, d'vdtje

11.

ongeveer

a)

vanwaar

b)

circa

c)

incidenteel

d)

intentie

12.

Hoe schrijf je:

a)

dode hoekspiegel

b)

dodehoek spiegel

c)

dode hoek spiegel

d)

dodehoekspiegel

13.

Als een huis vlak naast een snelweg staat, zal een makelaar die het huis wil verkopen, opmerken:

a)

... in de buurt van in- en uitvalswegen

b)

... ongeschikt voor bewoners met gevoelige oortjes

c)

... geschikt feestbeesten

d)

... prijs is onderhandelbaar

14.

Voorbeelden van signaalwoorden:

a)

die, deze, dat

b)

zoals die, zo'n, hiervan

c)

en, maar, want, toch, vooralsnog

d)

maar, ten eerste, ten tweede, verder, daarnaast, toch