Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Spelling-mavo2-H.3 t/m 5

Total questions: 36

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

Hoofdletter of niet: nike

a)

Ja

b)

nee

2.

Hoofdletter of niet?


coolsingel

a)

ja

b)

nee

3.

Hoofdletter of niet? utrecht

a)

ja

b)

nee

4.

Hoofdletter of niet? aardrijkskunde

a)

ja

b)

nee

5.

Als een zin begint met bijvoorbeeld ’s morgens, ’s middags of

’s avonds, dan verschuift de hoofdletter:

a)

goed

b)

fout

6.

bij woorden die van namen zijn afgeleid

gebruik je geen hoofdletter,bijv.engels, tilburgse, noordhollandse;

a)

goed

b)

fout

7.

bij namen van producten gebruik je een hoofdletter

a)

goed

b)

fout

8.

Je gebruikt geen hoofdletter

bij namen van dagen

a)

fout

b)

goed

9.

Je gebruikt geen hoofdletter

bij namen van windstreken

a)

fout

b)

goed

10.

Werkwoordspelling:

Geen persoonsvorm

Laatste letter -d of -t?

Gebruik de verlengproef

Altijd:

Schrijf het woord zo

kort en eenvoudig

mogelijk op.

a)

goed

b)

fout

11.

Werkwoordspelling

Is het de persoonsvorm?

Gebruik een van de volgende

manieren:

1 Maak van de zin een vraag

2 Zet de zin in de verleden tijd

a)

goed

b)

fout

12.

Werkwoord= pv

Verleden tijd (vt)

1 Zwak werkwoord:

– enkelvoud:

stam + de of te

– meervoud:

stam + den of ten

2 Sterk werkwoord:

klankverandering

zo kort en eenvoudig

mogelijk

a)

goed

b)

fout

13.

Zo schrijf je een werkwoord

– Gebruik de vraagproef of tijdproef om te zien of het werkwoord een persoonsvorm is.

– Ga na of de pv in de tegenwoordige of verleden tijd geschreven moet worden.

– Gebruik de regels van de tegenwoordige tijd of verleden tijd uit het schema.

– Als het werkwoord geen pv is, gebruik dan de ?

a)

tegenwoordige tijd

b)

verlengproef

c)

verdubbelen

14.

Je zet een komma in een zin

• nooit tussen twee persoonsvormen:

a)

fout

b)

goed

15.

Je zet een komma in een zin

tussen delen van een opsomming

a)

goed

b)

fout

16.

Je zet een komma in een zin


nooit na een naam of uitroep aan het begin van een zin

a)

fout

b)

goed

17.

Je gebruikt aanhalingstekens als je iemands woorden letterlijk weergeeft. Dit heet een citaat. Bijvoorbeeld: Loïs antwoordde: ‘Ik vond die film heel erg goed!’

a)

goed

b)

fout

18.

Vul de ontbrekende letter(s) in.


8 De toestand in bejaardentehuizen is aanzienl…k verslechterd.

a)

ij

b)

ei

19.

Vul de ontbrekende letter(s) in.

Het zwembad sluit de…initief de toegang

a)

v

b)

f

20.

Er is namel…k niemand die weet hoe jij deze Quizziz maakt.

a)

ei

b)

ij

21.

Makers van snoepwillen suiker in de producten te redu…eren.

a)

s

b)

ss

c)

c

22.

Haagse hopjes

a)

goed met hoofdletter

b)

fout zonder hoofdletter

23.

Je gebruikt een dubbele punt

voor een opsomming

a)

goed

b)

fout

24.

voor een citaat en voor een uitleg gebruik je geen dubbele punt

a)

fout

b)

goedf

25.

Als het citaat voorop staat, gebruik je geen dubbele punt. Bijvoorbeeld:

‘Morgen heb ik weer een wedstrijd,’ zei Anton.

a)

goed

b)

fout

26.

Werkwoorden controleer je met de regels voor de werkwoordspelling:

– Welke werkwoorden zijn allemaal persoonsvormen?

– Zijn de persoonsvormen geschreven volgens de regels?

–


Welke regel ontbreekt?

a)

Zijn de andere werkwoorden juist gespeld (zo eenvoudig mogelijk)?

b)

Heb je het netjes opgeschreven

c)

Zijn alle werkwoorden persoonsvormen?

27.

Je schrijft een ’s achter het woord

bij woorden die eindigen op een enkele -a, -o, -u, -i of -y.

a)

fout

b)

goed

28.

Je schrijft geen ’s achter het woord

bij afkortingen

a)

goed

b)

fout

29.

Je schrijft een s aan het woord vast

• bij alle andere woorden. Bijvoorbeeld: tafel → tafels; lente → lentes; shampoo

→ shampoos; bureau → bureaus.

a)

goed

b)

fout

30.

Je schrijft bij de volgende woorden ook de -s aan het woord vast:

• als je de -y uitspreekt als een ‘j’: spray → sprays;

• als je een accent hebt op de -e: café → cafés.

a)

goed

b)

fout

31.

Zo vind je alle persoonsvormen in een zin

Probeer alle onderwerpen van tijd te veranderen. De onderwerpen waarbij dat

lukt, zijn persoonsvormen

a)

fout

b)

goed

32.

Zo vind je alle persoonsvormen in een zin

Probeer alle werkwoorden van tijd te veranderen. De werkwoorden waarbij dat

lukt, zijn persoonsvormen

a)

goed

b)

fout

33.

Voor het verbindingswoord

en gebruik je een/geen komma.

a)

een

b)

geen

34.

gezelligheid of gezellighijd

a)

gezelligheid

b)

gezellighijd

35.

elektriciteit of elektricitijt

a)

elektricitijt

b)

elektriciteit

36.

Voor een citaat zet je een dubbele punt

a)

goed

b)

fout