NEW
Font size
WorksheetsHuiswerk taal allerlei
Total questions: 15
Worksheet time: 30mins
Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?
Groep 8 gaf aan juf Anne een enorme slagroomtaart.
groep 8
gaf
aan juf Anne
een enorme slagroomtaart
Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin?
Groep 8 gaf aan juf Anne een enorme slagroomtaart.
groep 8
gaf
aan juf Anne
een enorme slagroomtaart
Welke zelfstandige naamwoorden vind je in de volgende zin?
De jongen liep samen met het meisje naar het geschilderde bankje.
met, het, naar, het
geschilderde
jongen, meisje, bankje
samen
Welke werkwoorden vind je in de volgende zin?
Het zou kunnen, dat ik ga vliegen in de maand juli.
zou, kunnen
zou, kunnen, ga, vliegen
zou, kunnen, ga
maand juli
Vul het werkwoord goed in.
Rijden.
De man............................gisteren over het fietspad.
rijdt
reedt
rijd
reed
Vul in.
breken.
Ik heb mijn been....................................
gebroken
gebrooken
gebreekt
breken
Vul in.
Lopen
De ...............................wedstrijd was in Beneden-Leeuwen.
geloopen
gelope
gelopen
geliepte
Welke voorzetsels zie je in de volgende zin?
De man liep naar de boot en verstopte zich achter de zwemband.
man, boot, zwemband
naar, achter
man, verstopte
liep, verstopte
Vul in.
Scheuren.
Het.......................papier was niet meer te gebruiken.
gescheurdde
gescheurd
gescheurde
gescheurdt
Wat is een ander woord voor 'infinitief'?
Dat is een moeilijk woord voor 'voorzetsels'
Dat is een moeilijk woord voor 'het hele werkwoord'
Dat is een moeilijk woord voor 'voltooid deelwoord'
Dat is een moeilijk woord voor 'persoonsvorm'
Wat zijn lidwoorden?
De, het, eens
De, een, als
Want, als, dan
De, het, een
Vul in: die, dit, dat.
Dat is de jongen,..............................ik er leuk vind.
dit
die
dat
Welke bijvoeglijke naamwoorden vind je in de volgende zin?
Dat mooie meisje vroeg aan de leuke jongen of hij misschien verkering wou.
meisje, jongen, verkering
mooie, leuke
vroeg, wou
dat, of
Welke zin is goed geschreven?
De jongen antwoordde dat hij dat niet wist.
De jongen antwoorde dat hij dat niet wist.
De jongen antwoord dat hij dat niet wist
De jongen antwoordte dat hij dat niet wist.
Wat is het infinitief van het volgende werkwoord?
beantwoordt.
beantwoorden
antwoorden
geantwoorden
antwoordde
