wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Huiswerk taal allerlei

Total questions: 15

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?


Groep 8 gaf aan juf Anne een enorme slagroomtaart.

a)

groep 8

b)

gaf

c)

aan juf Anne

d)

een enorme slagroomtaart

2.

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin?


Groep 8 gaf aan juf Anne een enorme slagroomtaart.

a)

groep 8

b)

gaf

c)

aan juf Anne

d)

een enorme slagroomtaart

3.

Welke zelfstandige naamwoorden vind je in de volgende zin?


De jongen liep samen met het meisje naar het geschilderde bankje.

a)

met, het, naar, het

b)

geschilderde

c)

jongen, meisje, bankje

d)

samen

4.

Welke werkwoorden vind je in de volgende zin?


Het zou kunnen, dat ik ga vliegen in de maand juli.

a)

zou, kunnen

b)

zou, kunnen, ga, vliegen

c)

zou, kunnen, ga

d)

maand juli

5.

Vul het werkwoord goed in.


Rijden.

De man............................gisteren over het fietspad.

a)

rijdt

b)

reedt

c)

rijd

d)

reed

6.

Vul in.


breken.

Ik heb mijn been....................................

a)

gebroken

b)

gebrooken

c)

gebreekt

d)

breken

7.

Vul in.


Lopen

De ...............................wedstrijd was in Beneden-Leeuwen.

a)

geloopen

b)

gelope

c)

gelopen

d)

geliepte

8.

Welke voorzetsels zie je in de volgende zin?


De man liep naar de boot en verstopte zich achter de zwemband.

a)

man, boot, zwemband

b)

naar, achter

c)

man, verstopte

d)

liep, verstopte

9.

Vul in.


Scheuren.

Het.......................papier was niet meer te gebruiken.

a)

gescheurdde

b)

gescheurd

c)

gescheurde

d)

gescheurdt

10.

Wat is een ander woord voor 'infinitief'?

a)

Dat is een moeilijk woord voor 'voorzetsels'

b)

Dat is een moeilijk woord voor 'het hele werkwoord'

c)

Dat is een moeilijk woord voor 'voltooid deelwoord'

d)

Dat is een moeilijk woord voor 'persoonsvorm'

11.

Wat zijn lidwoorden?

a)

De, het, eens

b)

De, een, als

c)

Want, als, dan

d)

De, het, een

12.

Vul in: die, dit, dat.


Dat is de jongen,..............................ik er leuk vind.

a)

dit

b)

die

c)

dat

13.

Welke bijvoeglijke naamwoorden vind je in de volgende zin?


Dat mooie meisje vroeg aan de leuke jongen of hij misschien verkering wou.

a)

meisje, jongen, verkering

b)

mooie, leuke

c)

vroeg, wou

d)

dat, of

14.

Welke zin is goed geschreven?

a)

De jongen antwoordde dat hij dat niet wist.

b)

De jongen antwoorde dat hij dat niet wist.

c)

De jongen antwoord dat hij dat niet wist

d)

De jongen antwoordte dat hij dat niet wist.

15.

Wat is het infinitief van het volgende werkwoord?

beantwoordt.

a)

beantwoorden

b)

antwoorden

c)

geantwoorden

d)

antwoordde