wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SPQR - LES 5, alinea 2

Total questions: 12

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Dum Aemilia abest, puellae ignem custodiunt.

a)

Terwijl Aemilia afwezig is, bewaakt het meisje de vuren.

b)

Terwijl Aemilia afwezig is, bewaken de meisjes het vuur.

c)

Het meisje is afwezig en Aemilia bewaakt het vuur.

d)

Terwijl de meisjes afwezig zijn, bewaakt Aemilia het vuur.

2.

Amovent cinerem, addunt lignum.

a)

De as wordt verwijderd, het hout komt erbij.

b)

Ze halen de as weg, (en) ze voegen hout toe.

c)

De as wordt weggehaald en ze voegen hout toe.

d)

De as haalt ze weg en het hout voegt ze toe.

3.

Primum puellae faciunt quod facere debent.

a)

Doen de meisjes wel wat ze moeten doen?

b)

De eerste meisjes doen wat ze moeten doen.

c)

Eerst doen de meisjes wat ze moeten doen.

d)

Wat moeten de meisjes eerst doen.

4.

Aemilia autem diu abest.

a)

Aemilia is best lang weg.

b)

Aemilia is echter best lang weg.

c)

Aemilia is echter lang afwezig.

5.

Puellas taedet ignem custodire. Metella Claudiae dicit:

a)

De verveelde meisjes bewaken het vuur. Metella zegt tegen Claudia:

b)

De verveelde meisjes bewaken het vuur. Metella Claudia zegt :

c)

Het verveelt de meisjes om het vuur te bewaken. Metella zegt tegen Claudia:

d)

Het verveelt de meisjes om het vuur te bewaken. Claudia zegt tegen Metella:

6.

"Certe nobis licet paulisper discedere."

a)

"Het is ons vast wel toegestaan om eventjes weg te gaan."

b)

"We gaan even weg - dat mag vast wel."

c)

"Het is zeker dat we even weg mogen gaan."

7.

Ad atrium puellae accedunt. Sol ardet, rosae olent.

a)

De meisjes gaan naar het atrium. De zon brandt, de rozen geuren.

b)

De meisjes gaan uit het atrium weg. De zon brandt, de rozen geuren.

c)

De meisjes gaan naar het atrium. De zon brandt, de rozenstruik geurt.

d)

De meisjes zien de zon en ruiken de rozen in het atrium.

8.

Puellae ludunt. Mandatum neglegunt.

a)

De meisjes spelen en verwaarlozen hun opdracht.

b)

De meisjes spelen. Ze verwaarlozen hun opdracht.

c)

Het meisje speelt en verwaarloost haar opdracht.

9.

Tandem Aemilia venit. Statim ad ignem accedit, sed tantum cinis in ara iacet.

a)

Eindelijk komt Aemilia. Meteen gaat ze naar het vuur, maar ze vindt alleen as op het altaar.

b)

Eindelijk komt Aemilia. Meteen gaat ze naar het vuur, maar er is alleen as op het altaar.

c)

Eindelijk komt Aemilia. Meteen gaat ze naar het vuur, maar er ligt alleen as op het altaar.

d)

Later komt Aemilia. Meteen gaat ze naar het vuur, maar er ligt alleen as op het altaar.

10.

Aemilia puellas vocat.

a)

Aemilia roept het meisje.

b)

Aemilia roept de meisjes.

c)

De meisjes roepen Aemilia.

d)

Het meisje roept Aemilia.

11.

Claudia et Metella veniunt.

a)

Claudia en Metella komen.

b)

Claudia Metella komt.

c)

Claudia en Metella aarzelen.

d)

Claudia en Metella kijken.

12.

Lacrimant, nam poenam timent.

a)

Ze huilen, want ze vrezen straf.

b)

Ze huilt, omdat ze bang is voor straf.

c)

Huilend vrezen ze namelijk hun straf.

d)

Hun tranen tonen, dat ze bang zijn voor straf.