wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kennisbasis deel 6

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

D1

Lees het artikel in de afbeelding.

McGraw heeft geconstateerd dat de oude zaden andere genen bezitten dan nauw verwante soorten die nu leven.

Enkele factoren die een rol spelen in ecosystemen, zijn:

1 mutaties,

2 concurrentie,

3 veranderingen van abiotische factoren.


Welke van deze factoren kunnen hebben bijgedragen tot het ontstaan van een verschil in genensamenstelling tussen de "levende fossielen" en de tegenwoordige planten?

a)

alleen factor 1 en 2

b)

alleen factor 2 en 3

c)

alleen factor 1 en 3

d)

factor 1, 2 en 3

2.

D1

Er is een populatie dieren waarvan het aantal in elke generatie gelijk blijft. In deze populatie treedt een erfelijke verandering op, waardoor een bepaald dominant allel ontstaat. Dit dominante allel heeft tot gevolg dat de drager ervan gemiddeld 1 % meer nakomelingen krijgt dan een individu dat dit allel niet heeft. Dit allel komt aanvankelijk voor bij 0,1 % van de individuen. De grafieken in bron 1 geven weer hoeveel procent van de populatie dit allel bezit na een aantal generaties.


Hoe noemt men het proces waarbij individuen met het beschreven dominante allel een steeds groter percentage van de populatie gaan uitmaken?

a)

natuurlijke selectie

b)

modificatie

c)

mutatie

d)

successie

3.

D1

Twee uitspraken over het ontstaan van nieuwe soorten:


Uitspraak 1: Er is sprake van twee nieuwe soorten als twee groepen organismen niet meer in staat zijn onderling voort te planten

Uitspraak 2: Bij het ontstaan van nieuwe soorten is het belangrijk dat een groep organismen geisoleerd raakt van een andere groep soortgenoten

a)

Alleen uitspraak 1 is juist

b)

Alleen uitspraak 2 is juist

c)

Beide uitspraken zijn juist

d)

Beide uitspraken zijn onjuist

4.

D1

Een groot aantal individuen van een bepaalde insectensoort heeft zich vanaf het jaar 1800 verspreid over vier eilanden (zie afbeelding 8). Tussen de eilanden vindt geen uitwisseling plaats van individuen.

Van de eilanden is het volgende bekend

– De eilanden 1, 2, 3 en 4 liggen op dezelfde afstand van de kust.

– De eilanden 1, 3 en 4 zijn wat betreft begroeiing en weersomstandigheden vergelijkbaar met het vasteland.

– Eiland 2 is rotsig en kaal, terwijl de eilanden 1, 3 en 4 begroeid zijn.

– Bij de pijlen staan de jaartallen waarop de insecten zich hebben gevestigd op dat eiland.


Op welk eiland zijn de verschillen in genotypen het grootst tussen de individuen van de nieuwe en van de oorspronkelijke insectenpopulaties?

a)

eiland 1

b)

eiland 2

c)

eiland 3

d)

eiland 4

5.

E5

Het Victoriameer, dat ruim een miljoen inwoners van Kenya, Tanzania en Oeganda van vis voorziet, is stervende.

Een deel van de bodem van het ondiepe meer is bedekt met een laag rottende algen.

Oorzaak daarvan is onder andere de ongelimiteerde lozing van mineralen (fosfaten en nitraten) in dit meer, waardoor een keten van gebeurtenissen op gang is gebracht.

Een andere ecologische ramp wordt veroorzaakt door een drijvende plant, de waterhyacint, die zich geweldig heeft uitgebreid. De waterhyacint vormt tapijten op het water.


De algen die een deel van de bodem van het meer bedekken, hebben zich daarvóór zeer sterk vermeerderd.

Waardoor vermeerderden de algen zich aanvankelijk zo sterk na de lozing van nitraten en fosfaten?

a)

doordat de fosfaten en nitraten giftig waren voor algen-etende organismen

b)

doordat fosfaten en nitraten vóór de lozing beperkende factoren waren voor de algen

c)

doordat de tolerantiegrenzen van de algen veranderden door de fosfaten en nitraten

6.

E5

Stikstof wordt door een plant vooral gebruikt om daarmee een bepaald type organische stoffen op te bouwen (assimilatie)

Welke stof is dat?

a)

koolhydraten

b)

vetten

c)

eiwitten

d)

mineralen

7.

E5

Is voor nitrificatie van nitrificerende bacterien zuurstof nodig? En voor denitrificatie?

a)

alleen voor denitrificatie

b)

alleen voor nitrificatie

c)

voor zowel denitrificatie als nitrificatie

d)

niet voor denitrificatie en niet voor nitrificatie

8.

E5

Wat is waar over stikstofbindende bacterien?

a)

zetten ammonium om in N2

b)

zetten ammoniak om in ammonium

c)

zetten N2 om in ammonium

d)

zetten N2 om in nitraat

9.

E6

Welke groep in de pyramide zijn planteneters?

a)

Producenten

b)

Consumenten 1e orde

c)

Consumenten 2e orde

d)

Consumenten 3e orde

10.

E6

In de afbeelding zie je een voedselweb. Uit hoeveel organismen bestaat de langste voedselketen?

a)

3

b)

4

c)

5

d)

6

11.

E6

In de afbeelding zijn de relaties tussen producenten, consumenten en reducenten schematisch weergegeven.

Op een bepaald moment wordt het water van een sloot vervuild met organische stoffen.

Zal daardoor als eerste een toename optreden van het aantal consumenten, van het aantal producenten of van het aantal reducenten in deze sloot?

a)

consumenten

b)

producenten

c)

reducenten

12.

E6

De leeuw in de afbeelding is een...

a)

consument 1e orde

b)

consument 2e orde

c)

producent

d)

reduceert

13.

A4

Drie cellen in het lichaam van een volwassen man worden met elkaar vergeleken: een spermacel, een spiercel en een zenuwcel.

In welke van deze cellen kan het Y-chromosoom ontbreken?

a)

in geen van deze cellen

b)

alleen in de spermacel

c)

alleen in de zenuwcel

d)

in de spiercel en zenuwcel

14.

A6

Iemand heeft zelf aardbeienjam gemaakt. Na een paar maanden opent hij een pot jam. Bij het openen van de pot komt er wat gas vrij. De jam ruikt naar alcohol.

Welke omzetting heeft in deze pot jam plaatsgevonden?

a)

dissimilatie van glucose met zuurstof waarbij alcohol en CO2 ziin ontstaan

b)

dissimilatie van glucose zonder zuurstof waarbij alcohol en CO2 zijn ontstaan

c)

dissimilatie van glucose zonder zuurstof waarbij alcohol en O2 zijn ontstaan

15.

A6

Bij het maken van wijn is er sprake van alcoholgisting.

Wijn kun je maken in een fles of vat met een waterslot. Dit waterslot zorgt ervoor dat er gassen uit het vat kunnen ontsnappen, maar dat er geen lucht bij kan komen.

Waarom is het belangrijk dat bij het maken van wijn geen lucht bij het mengsel komt?

a)

Anders komt er zuurstof bij het mengsel en alcoholgisting is een vorm van aerobe dissimilatie dus zonder zuurstof.

b)

Anders komt er zuurstof bij het mengsel en alcoholgisting is een vorm van anaerobe dissimilatie dus zonder zuurstof.

c)

Anders komt er koolstofdioxide bij het mengsel en alcoholgisting is een vorm van aerobe dissimilatie dus zonder koolstofdioxide.

d)

Anders komt er koolstofdioxide bij het mengsel en alcoholgisting is een vorm van anaerobe dissimilatie dus zonder koolstofdioxide.

16.

A6

Tijdens het hardlopen vindt in beenspieren anaërobe dissimilatie plaats.


Welke van de stoffen alcohol, koolstofdioxide, melkzuur en water komt of komen in deze spieren vrij bij dat proces?

a)

alleen melkzuur

b)

alleen alcohol en koolstofdioxide

c)

alleen koolstofdioxide en water

d)

alleen alcohol en melkzuur

17.

A6

In spieren van de mens vinden onder andere de volgende stofwisselingsprocessen plaats:


1 opbouw van eiwitten uit aminozuren,

2 vorming van melkzuur uit glucose,

3 vorming van glycogeen uit glucose,

4 vorming van CO2 en H2O uit glucose en O2.


Bij welk of bij welke van deze processen komt energie vrij die kan worden gebruikt voor het samentrekken van de spieren?

a)

alleen bij proces 3

b)

alleen bij proces 4

c)

alleen bij proces 1 en 3

d)

alleen bij proces 2 en 4

18.

B5

Bij bananenvliegjes wordt de oogkleur o.a. bepaald door een gen gelegen in het X-chromosoom. Het allel voor rode oogkleur is dominant over het allel voor witte oogkleur.


Bij welke van de volgende kruisingen zullen alle mannelijke nakomelingen witogig zijn?

a)

heterozygoot wijfe x roodogig mannetje

b)

heterozygoot wijfje x witogig mannetje

c)

witogig wijfje x roodogig mannetje

d)

homozygoot roodogig wijfje x witogig mannetje

19.

B5

Hemofilie is een ziekte bij de mens, die veroorzaakt wordt door het recessieve allel van een gen op het X-chromosoom.

In een bepaalde familie trad deze ziekte al in enkele generaties op. Wanneer in deze familie een vader lijder aan hemofilie is en zijn vrouw noch deze ziekte heeft noch draagster is, kan de ziekte optreden bij

a)

50% van de dochters

b)

alle dochters

c)

50% van de zoons

d)

geen van de zoons

20.

A5

Een onderzoeker wil experimenten uitvoeren met autotrofe organismen. Hij kan organismen kiezen uit de groepen bacteriën, schimmels en wieren.

Welke organismen kan hij gebruiken?

a)

alle organismen uit de groep wieren en geen uit de andere groepen

b)

alle organismen uit zowel de groep bacteriën als uit de groep schimmels en geen uit de groep wieren

c)

alleen bepaalde organismen uit de groep bacteriën en alle organismen uit de groep wieren; geen uit de groep schimmels

d)

alle organismen uit alle drie de groepen