WorksheetsJij en je geld - begrippen
Total questions: 17
Worksheet time: 9mins
Je ruilt een goed of dienst tegen iets anders zonder geld te gebruiken.
directe ruil
indirecte ruil
Ruil waarbij je geld als ruilmiddel gebruikt. Je koopt dus iets.
directe ruil
indirecte ruil
Het bedrag dat op je bankrekening staat.
rekening
saldo
bank
lening
Betalen via internet, met je bankpas of met je telefoon.
pinnen
electronisch betalen
contant betalen
contactloos betalen
Tastbaar geld in de vorm van munten en bankbiljetten.
giraal geld
chartaal geld
kleingeld
wisselgeld
Geld op je bankrekening. Het is niet tastbaar.
chartaal geld
giraal geld
muntgeld
Monepoly geld
Geld dat je overhoudt geef je niet uit, maar bewaar je voor later.
sparen
reserveren
geld overmaken
rentenieren
Een vergoeding die je krijgt van de bank voor jouw spaargeld.
boete
saldo
rente
zak snoep
Welke zijn de drie geldfuncties?
spaarmiddel
betaalmiddel
rekenmiddel
ruilmiddel
Geld gebruiken dat van een ander is.
ruilen
uitgeven
sparen
lenen
Een vast bedrag dat je elke maand betaalt voor rente en aflossing van een lening.
rente
aflossing
maandtermijn
hypotheek
Geld terugbetalen dat je geleend hebt.
sparen
aflossen
Een vergoeding die je aan de bank betaalt, omdat jij het geld van de bank mag gebruiken.
aflossing
rente
Iets wat je afsluit als je kans hebt op schade en je wilt dat die schade vergoed wordt door de verzekeraar.
rente
aflossing
verzekering
spaarrekening
Een bewijs dat je een verzekering hebt afgesloten.
polis
arbeidscontract
rentepercentage
premie
Het bedrag dat je betaalt voor een verzekering.
polis
premie
aflossing
rente
Een deel van de schade die je zelf moet betalen omdat die niet wordt vergoed door de verzekeraar.
eigen premie
eigen polis
eigen risico
eigen deel
