wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NOVA H3 Water 1|2 KGT

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Mist is een vorm van water. In welke fase is het water in de mist?

a)

Gasfase

b)

Vloeistoffase

c)

Vaste fase

2.

De lucht in een uitademing bevat veel waterdamp. Wat gebeurt er met de waterdamp als je uitademt tegen een koude ruit? De waterdamp:

a)

Condenseert

b)

Smelt

c)

Stolt

d)

Verdampt

3.

Welke uitspraak over ijzel is waar?

a)

Ijzel bestaat uit kristallen

b)

Ijzel is een vaste stof

c)

Ijzel is een vloeistof

d)

Ijzel is een gas

4.

Erik zegt: “Elke vaste stof heeft een eigen kristalstructuur.” Manon zegt: “Kristallen zijn altijd microscopisch klein.” Wie heeft er gelijk?

a)

alleen Erik

b)

alleen Manon

c)

Erik en Manon

d)

Geen van beiden heeft gelijk.

5.

Rijp en dauw zijn twee voorbeelden van neerslag. In welk antwoord staat de juiste fase voor beide?

a)

Rijp en dauw zijn beide vast.

b)

Rijp en dauw zijn beide vloeibaar.

c)

Rijp is vast en dauw is vloeibaar.

d)

Rijp is vloeibaar en dauw is vast.

6.
Met een vloeistofthermometer kun je de temperatuur meten. Welke vloeistof zit er meestal in een vloeistofthermometer?
a)
alcohol
b)
ether
c)
Water
d)
Water met kleurstof
7.
Welke uitspraak over de werking van een vloeistofthermometer is juist?
a)
Als de temperatuur daalt, krimpt de vloeistof en stijgt het vloeistofniveau.
b)
Als de temperatuur daalt, zet de vloeistof uit en daalt het vloeistofniveau.
c)
Als de temperatuur stijgt, krimpt de vloeistof en daalt het vloeistofniveau.
d)
Als de temperatuur stijgt, zet de vloeistof uit en stijgt het vloeistofniveau.
8.
Aruna heeft een elektronische koortsthermometer, een vloeistofthermometer en een oventhermometer. Welke thermometer heeft een wijzer die langs een schaalverdeling beweegt?
a)
De elektronische koortsthermometer.
b)
De oventhermometer.
c)
De vloeistofthermometer.
9.

Bij welke fase-overgang wordt een vaste stof een vloeistof?

a)

Bevriezen

b)

Condenseren

c)

Rijpen

d)

Smelten

e)

Verdampen

10.

Bij welke fase-overgang wordt een vloeistof stof een gas?

a)

Bevriezen

b)

Condenseren

c)

Rijpen

d)

Smelten

e)

Verdampen

11.

Bij welke fase-overgang wordt een vloeistof een vaste stof?

a)

Bevriezen

b)

Condenseren

c)

Rijpen

d)

Smelten

e)

Verdampen

12.

Bij welke fase-overgang wordt een gas een vaste stof?

a)

Bevriezen

b)

Condenseren

c)

Rijpen

d)

Smelten

e)

Verdampen

13.

Bij welke fase-overgang wordt een gas een vloeistof?

a)

Bevriezen

b)

Condenseren

c)

Rijpen

d)

Smelten

e)

Verdampen

14.

Bij welke fase-overgang wordt een vaste stof een gas?

a)

Bevriezen

b)

Condenseren

c)

Rijpen

d)

Smelten

e)

vervluchtigen

15.

Vervluchtigen is de fase overgang van:

a)

vast naar vloeibaar

b)

vast naar gas

c)

vloeibaar naar vast

d)

vloeibaar naar gas

e)

gas naar vast

16.

Verdampen is de fase overgang van:

a)

vast naar vloeibaar

b)

vast naar gas

c)

vloeibaar naar vast

d)

vloeibaar naar gas

e)

gas naar vast

17.

Condenseren is de fase overgang van:

a)

vast naar vloeibaar

b)

gas naar vloeibaar

c)

vloeibaar naar vast

d)

vloeibaar naar gas

e)

gas naar vast

18.
Rijpen is de fase overgang van:
a)
vast naar vloeibaar
b)
gas naar vloeibaar
c)
vloeibaar naar vast
d)
vloeibaar naar gas
e)
gas naar vast
19.
Smelten is de fase overgang van:
a)
vast naar vloeibaar
b)
gas naar vloeibaar
c)
vloeibaar naar vast
d)
vloeibaar naar gas
e)
gas naar vast
20.
Stollen is de fase overgang van:
a)
vast naar vloeibaar
b)
gas naar vloeibaar
c)
vloeibaar naar vast
d)
vloeibaar naar gas
e)
gas naar vast
21.
’s Winters verdwijnt sneeuw soms ‘in het niets’, dus zonder dat je een plasje water ziet ontstaan. Hoe heet die fase-overgang?
a)
Bevriezen
b)
Condenseren
c)
Rijpen
d)
Smelten
e)
vervluchtigen
22.
Als na een regenbui de zon schijnt, zijn de straten al gauw weer droog. Dat komt doordat het regenwater:
a)
Bevriest
b)
Condenseert
c)
Smelt
d)
vervluchtigt
e)
Verdampt
23.
Na een erg koude droge nacht zijn de bladeren van planten soms helemaal wit. Hoe heet de fase-overgang die daarvoor heeft gezorgd?
a)
Bevriezen
b)
Condenseren
c)
Rijpen
d)
Smelten
e)
Verdampen
24.
Als je water in een bekerglas verhit, gaat het ‘zingen’. Welke bewering over dit verschijnsel is waar?
a)
Het zingen wordt veroorzaakt doordat er luchtbellen in het water ontstaan.
b)
Het zingen geeft aan dat het kookpunt van water is bereikt.
c)
Tijdens het zingen ontstaan er op de bodem van het bekerglas dampbellen.
25.
Als het vriest, gaan strooiwagens op weg om wegen en fietspaden te bestrooien. Wat strooien ze en waarom doen ze dat?
a)
Zand om het vriespunt van water te verhogen.
b)
Zand om het vriespunt van water te verlagen.
c)
Zout om het vriespunt van water te verhogen
d)
Zout om het vriespunt van water te verlagen.
26.

Water bevriest bij:

a)

0 °C

b)

273.15 K

c)

32 °F

27.

Water kookt bij

a)

100 °C

b)

373.15 K

c)

212 °F

28.
Sneeuw is een vorm van water. In welke fase is het water in een sneeuwvlok?
a)
gasvormige fase
b)
vaste fase
c)
vloeibare fase
29.
Als je tijdens een koude winterdag van buiten naar binnen gaat, beslaan je brillenglazen. Hoe heet de fase-overgang die dan plaatsvindt?
a)
Bevriezen
b)
Condenseren
c)
Rijpen
d)
Smelten
e)
Verdampen
30.
Welke uitspraak over sneeuw is waar?
a)
Sneeuw bestaat uit kristallen.
b)
Sneeuw is geen neerslag.
c)
Sneeuw is een soort ijzel.
d)
Sneeuw is waterdamp.
31.
Klaas zegt: “Kristallen kunnen centimeters groot zijn.” Wesley zegt: “Kristallen hebben in alle stoffen dezelfde vorm.” Wie heeft er gelijk?
a)
alleen Klaas
b)
alleen Wesley
c)
Klaas en Wesley
d)
Geen van beiden heeft gelijk.
32.
IJzel en regen zijn twee voorbeelden van neerslag. In welk antwoord staat de juiste fase voor beide?
a)
Regen en ijzel zijn beide vast.
b)
Regen en ijzel zijn beide vloeibaar.
c)
Regen is vast en ijzel is vloeibaar.
d)
Regen is vloeibaar en ijzel is vast.
33.
Waar zit bij een vloeistofthermometer de schaalverdeling?
a)
achter de stijgbuis
b)
achter het reservoir
c)
naast de stijgbuis
d)
naast het reservoir
34.
Welke twee uitspraken over de werking van een vloeistofthermometer zijn juist?
a)
Als de temperatuur daalt, krimpt de vloeistof en daalt het vloeistofniveau.
b)
Als de temperatuur daalt, zet de vloeistof uit en stijgt het vloeistofniveau.
c)
Als de temperatuur stijgt, krimpt de vloeistof en stijgt het vloeistofniveau.
d)
Als de temperatuur stijgt, zet de vloeistof uit en daalt het vloeistofniveau.
35.
Zaina heeft een elektronische koortsthermometer, een vloeistofthermometer en een oventhermometer. Welke thermometer heeft een klein scherm waarop je de temperatuur af kunt lezen?
a)
de elektronische koortsthermometer
b)
de oventhermometer
c)
de vloeistofthermometer
36.
De takken van bomen zijn in de winter ’s ochtends soms helemaal wit. Hoe heet de fase-overgang die daarvoor heeft gezorgd?
a)
Bevriezen
b)
Condenseren
c)
Rijpen
d)
Smelten
e)
vervluchtigen
37.
Als warme lucht ’s nachts afkoelt tegen de bladeren van planten, ontstaat dauw. Dat komt doordat de waterdamp uit de lucht:
a)
Bevriest
b)
Condenseert
c)
Smelt
d)
vervluchtigt
e)
Verdampt
38.
Als de temperatuur ’s winters boven 0 °C stijgt, zie je water verschijnen op het ijs op sloten en plassen. Hoe heet die fase-overgang?
a)
Bevriezen
b)
Condenseren
c)
Rijpen
d)
Smelten
e)
vervluchtigen
39.
Als je water in een bekerglas verhit, ontstaan na enige tijd grote dampbellen die aan het oppervlak uit elkaar barsten. Welke bewering over dit verschijnsel is waar?
a)
De dampbellen bestaan uit lucht.
b)
De dampbellen ontstaan op de bodem van het bekerglas.
c)
De temperatuur van het water is nu 100 °C.
d)
Dit verschijnsel noem je het zingen van het water.
40.

’s Winters doen automobilisten antivries bij het water voor de ruitensproeier. Daardoor:

a)

stijgt het smeltpunt van ijs.

b)

daalt het smeltpunt van water.

c)

daalt het vriespunt van ijs.

d)

daalt het vriespunt van water.