wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4 K Thema 2 Ecologie 4

Total questions: 46

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

Een prooidier is een abiotische factor.

a)

Juist

b)

Onjuist

2.
Een soortgenoot is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
3.
De zon is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
4.
In deze afbeelding zie je een:
a)
levensgemeenschap
b)
individu
c)
biotoop
d)
populatie
5.
Hoe noem je alle abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
6.

Een beer is een...

a)

alleseter

b)

planteneter

c)

vleeseter

7.

Een konijn is een ...

a)

planteneter

b)

alleseter

c)

vleester

8.

Een leeuw is een....

a)

planteneter

b)

alleseter

c)

vleeseter

9.
Uit hoeveel schakels bestaat de kortste voedselketen in de afbeelding?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
10.
Wat is een voedselweb?
a)
Een reeks van eten en gegeten worden.
b)
Alle biotische factoren in een ecosysteem.
c)
Alle voedselrelaties in een ecosysteem.
11.
Hoe noemen we de groene planten in een voedselketen?
a)
autotroof
b)
heterotroof
c)
consumenten
d)
producenten
12.
Het koolmeesje is ...
a)
een producent.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
een consument van de tweede orde.
d)
een consument van de derde orde.
13.
Wat ontbreekt bij nummer 2?
a)
consument
b)
producent
c)
reducent
d)
afvaleters
14.
Dit diagram noemen we ook wel een...
a)
minimum-maximumkromme.
b)
staafdiagram.
c)
milieukromme.
d)
optimumkromme.
15.
Deze vos is aangepast aan een....
a)
koud klimaat.
b)
gematigd klimaat.
c)
warm klimaat.
16.
Boven het maximum en onder het minimum gaan organismen dood.
a)
juist
b)
onjuist
17.
Het gestroomlijnde lichaam van deze pinguïn is een voorbeeld van....
a)
aanpassing.
b)
successie.
c)
mutualisme.
d)
symbiose.
18.
Wat voor een soort 'ganger' zie je in deze afbeelding?
a)
zoolganger
b)
teenganger
c)
topganger/hoefganger
19.

Hieronder staan vier definities van ecologie. Welke is de beste?

a)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en andere organismen onderzoekt

b)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en hun milieu onderzoekt

c)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en abiotische factoren onderzoekt

d)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en biotische factoren onderzoekt

20.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan ze op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeemschap - ecosysteem

21.
Welke van onderstaande factoren is biotisch?
a)
reducenten
b)
bodemvochtigheid
c)
waterdiepte
d)
grondsoort
22.

Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden.

Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.

Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.

Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.

Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.

a)

leerling 1

b)

leerling 2

c)

leerling 3

d)

leerling 4

23.

Biotische factoren zijn

a)

invloeden afkomstig van de levenloze natuur

b)

invloeden afkomstig van de levende natuur

c)

invloeden afkomstig van zon, wind, water

24.

Wat is de definitie van een populatie

a)

een groep individuen van verschillende soorten in een bepaald gebied

b)

een groep organismen in een bepaald gebied

c)

een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied , die zich onderling voortplanten

d)

een groep individuen die veel op elkaar lijken

25.

Een bos bestaat uit populaties van eiken, beuken, adelaarsvaren, regenwormen, spitsmuizen, koolmezen, vossen en nog veel meer soorten.

Is hier sprake van een levensgemeenschap?

a)

ja

b)

nee

26.

Welke onderstaande factor is abiotisch?

a)

predator

b)

parasiet

c)

zuurgraad

d)

prooidier

27.

Welke organismen zijn in staat om de stikstof uit nitraat op te nemen in organische verbindingen?

a)

alleen dieren

b)

alleen planten

c)

zowel planten als dieren

28.

Welke abiotische factoren zijn er nodig om fotosynthese te kunnen laten plaatsvinden?

a)

zonlicht, glucose, zand, en koolstofdioxide

b)

zonlicht, water en glucose

c)

zonlicht , water en koolstofdioxide

d)

zonlicht, warmte en water

29.

Hoe heten organismen die zelf organische stoffen kunnen vormen?

a)

consumenten

b)

producenten

30.

De vos is

a)

een producent

b)

reducent

c)

consument 1e orde

d)

consument 2e orde

31.

De bladluis is

a)

een producent van 1e orde

b)

een consument van de 2e orde

c)

een consument van de 1e orde

d)

een reducent van de 1e orde

32.

In de afbeelding zie je dat de kikker zich voedt met verschillende organismen. De kikker kan een

a)

consument van de 1e en 2e orde zijn

b)

consument van de 2e en 3e orde zijn

c)

een producent en een consument van de 1e orde zijn

d)

een consument van de 3e en 4e orde zijn

33.

De havik staat boven aan de voedselketen waarin ook vlinders zitten. De havik is dan

a)

een consument van 5e orde

b)

een consument van de 3e orde

c)

een consument van de 4e orde

d)

een reducent

34.
een leeuw is een
a)
reducent
b)
consument
c)
producent
35.
Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming.
36.
In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel kleiner.
a)
juist
b)
onjuist
37.
Welke schakel heeft altijd de grootste biomassa?
a)
consumenten eerste orde
b)
consumenten 2e orde
c)
producenten
38.
In een voedselketen gaat een deel van de energie verloren omdat een organisme wordt opgegeten.
a)
juist
b)
onjuist
39.
Hoe noemen we de bacteriën en schimmels in een voedselketen?
a)
afvaleters
b)
consumenten
c)
reducenten
40.
Wat voor een voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming
41.

Veel heidevelden in Nederland worden begraasd door schapen. De schapen eten jonge boompjes en struiken die tussen de heideplanten groeien. Als die bomen en struiken groot zouden worden, verdwijnen op den duur de heideplanten.


Wat is de juiste volgorde van een voedselketen?

a)

schapen -> heidevelden -> jonge boompjes en struiken

b)

heidevelden -> schapen

c)

jonge boompjes -> schapen

d)

jonge boompjes -> struiken -> schapen

42.

Veel heidevelden in Nederland worden begraasd door schapen. De schapen eten jonge boompjes en struiken die tussen de heideplanten groeien. Als die bomen en struiken groot zouden worden, verdwijnen op den duur de heideplanten. Dat komt doordat grote bomen en struiken abiotische factoren van een heideveld veranderen.


Welke abiotische factoren zijn hier voorbeelden van?

a)

schapen

b)

hoeveelheid zon

c)

hoeveelheid water

d)

jonge boompjes

43.

Wat zijn heideplanten voor een soort planten?

a)

voorjaarsbloeiers

b)

schaduwplanten

c)

zonplanten

d)

waterplanten

44.

Elk jaar zwemmen in Canada miljoenen volwassen zalmen vanuit zee de rivieren op. In voedselarme meertjes planten ze zich dan voort. Hierna sterven de volwassen zalmen. Die dode zalmen zijn onmisbare mest in de meertjes waarin hun jongen opgroeien. De jonge zalmen eten dierlijk plankton. Het dierlijk plankton leeft van plantaardig plankton.


Welke organismen hebben de rol van producent in de voedselarme Canadese meertjes?

a)

jonge zalmen

b)

volwassen zalmen

c)

dierlijk plankton

d)

plantaardig plankton

45.

Van welk type vogel is dit een poot?

a)

zangvogel

b)

loopvogel

c)

roofvogel

d)

watervogel

46.

Wat voor een snavel heeft een flamingo?

a)

priemsnavel

b)

zeefsnavel

c)

haaksnavel

d)

pincetsnavel