wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

glastuinbouw, biotechnologie, dieren in aus

Total questions: 45

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.
Zoogdieren halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
2.
Deze afbeelding is een schematische tekening van
a)
een longlaasje
b)
een luchttakje
c)
een bronchie
d)
de luchtpijp
3.

Een paling ademt...

a)

door longen...

b)

door kieuwen...

4.

Een goudvis ademt...

a)

... door longen

b)

... door kieuwen

5.

Een hamster ademt...

a)

... door longen

b)

... door kieuwen

6.

Ik

a)

heb een baarmoeder

b)

leg eieren

c)

word inwendig bevrucht

d)

bij mijn soort is er uitwendige bevruchting

7.

Uit 1 hydra ontstaat nog een hydra in dit plaatje

a)

dit is een voorbeeld van ongeslachtelijke voortplanting

b)

dit is een voorbeeld van geslachtelijke voortplanting

8.

Aan de wolk rond de oester te zien

a)

doet deze soort aan uitwendige bevruchting

b)

doet deze soort aan inwendige bevruchting

9.
Hoe komen wij aan zuurstof?
a)
Dit maken wij zelf
b)
Dit ontstaat bij fotosynthese
c)
Dit ontstaat bij verbranding
10.
Wat heb je nodig voor verbranding?
a)
Koolstofdioxide en glucose
b)
Koolstofdioxide en water
c)
Zuurstof en glucose
d)
Zuurstof en water
11.
Waarom doen organismen aan verbranding?
a)
Om energie te produceren
b)
Om koolstofdioxide te produceren
c)
Om zuurstof te produceren
12.

In welk antwoord staan alleen voorbeelden van biotische factoren?

a)

wind, water en temperatuur

b)

soortgenoten, nestgelegenheid en ziekteverwekkers

c)

voedsel, water en bodem

d)

regen, roofdieren en ziekteverwekkers

13.

In welk antwoord staan alleen voorbeelden van abiotische factoren?

a)

licht, lucht en regen

b)

roofdieren, voedsel en soortgenoten

c)

temperatuur, water en voedsel

d)

wind, nestgelegenheid en bodem

14.

een olifant is

a)

een individu

b)

een populatie

c)

een levensgemeenschap

d)

een biotoop

e)

een ecosysteem

15.

alle abiotische factoren samen noem je

a)

een individu

b)

een populatie

c)

een levensgemeenschap

d)

een biotoop

e)

een ecosysteem

16.

een bos of een weiland is een voorbeeld van

a)

een individu

b)

een populatie

c)

een levensgemeenschap

d)

een biotoop

e)

een ecosysteem

17.

populaties van verschillende soorten samen noem je

a)

een individu

b)

een populatie

c)

een levensgemeenschap

d)

een biotoop

e)

een ecosysteem

18.
Welke soorten milieuproblemen zijn er?
a)
Vervuiling en uitputting
b)
Vervuiling en aantasting
c)
Vervuiling, uitputting en aantasting
d)
Vervuiling, aanputting en uittasting
19.
Welk begrip? "Milieuprobleem waarbij niets in het milieu wordt vervuild of weggehaald, maar het milieu wel verandert"
a)
Aantasting
b)
Vervuiling
c)
Uitputting
d)
Versnippering
20.
Welk begrip? "Het aantal verschillende soorten planten en dieren in een gebied".
a)
Biodiversiteit
b)
Ecologische hoofdstructuur
c)
Biologie
d)
Ecoduct
21.
Wat is geen voorbeeld van een fossiele brandstof? 
a)
Steenkool
b)
Aardolie
c)
Aardgas
d)
Zonne-energie
22.
Waarom moet er in de toekomst worden overgegaan op andere energiebronnen? 
a)
Fossiele brandstoffen worden te duur
b)
Fossiele brandstoffen dreigen op te raken
c)
Door de winning van fossiele brandstoffen zijn er steeds meer aardbevingen.
23.
Waardoor wordt het broeikaseffect versterkt?
a)
Door de uitstoot van broeikasgassen door fabrieken
b)
Doordat er steeds meer auto's op de weg zijn
c)
Door verbranding van fossiele brandstoffen
d)
Alle antwoorden zijn goed
24.
Wat is geen voorbeeld van een fossiele brandstof? 
a)
Steenkool
b)
Aardolie
c)
Aardgas
d)
Zonne-energie
25.
Wat is duurzame energie?
a)
Energie die duur is, je betaalt er veel geld voor
b)
Energie uit wind, zon of water en dus minder vervuilend
c)
Energie uit fossiele brandstoffen en dus minder vervuilend
d)
Energie uit fossiele brandstoffen en dus zeldzaam is
26.
Welke fossiele brandstof is uit plankton uit de zee ontstaan?
a)
Aardgas
b)
Steenkool
c)
Benzine
d)
Aardolie
27.
Wat is het belangrijkste broeikasgas?
a)
aardgas
b)
methaangas
c)
CO2
d)
Broeigas
28.
Steenkool, aardgas en aardolie zijn.......brandstoffen.
a)
Natuurlijk
b)
Groene
c)
Oneindige
d)
Fossiele
29.

Zonne-energie en windenergie zijn.... energiebronnen.

a)

Dure

b)

Duurzame

c)

Radioactieve

d)

Nieuwe

30.
Houtsnippers, frituurvet, mest en plantenresten zijn voorbeelden van
a)
Biomassa
b)
Aardwarmte
c)
Fossielen
d)
Groene energie
31.
fossiele brandstoffen zijn brandstoffen die altijd voorradig zijn.
a)
fout
b)
juist
32.
Wat is een voordeel van fossiele brandstoffen
a)
Het is oneindig beschikbaar
b)
Het is goedkoop
c)
Het geeft geen afval
d)
Het is goed voor het milieu 
33.

Wat zijn fossiele brandstoffen?

a)

hele oude brandstoffen

b)

brandstoffen uit dode planten en dieren

c)

brandstoffen uit zand en steen

d)

brandstoffen uit gas

34.

wat bedoelen we met duurzame energie?

a)

dat is slecht tegen het mileu

b)

dat er weinig van is op aarde

c)

dat we er weinig van gebruiken

d)

dat het nooit op kan raken

35.

Welke grondstof is nodig om kern-energie te maken?

a)

steenkool

b)

meststof

c)

uranium

36.

Welk nadeel past bij kern-energie?

a)

Het omzetten van afval naar energie kost veel geld. De installaties zijn duur.

b)

Je hebt snelstromend water nodig om voldoende energie op te wekken.

c)

Bij radioactieve straling is schadelijk voor de mens. Het afval wordt opgeslagen omdat er geen gepaste verwerking gekend is.

37.

Wat is het gevolg van het versterkte broeikaseffect?

a)

de temperatuur op aarde daalt

b)

de temperatuur op aarde stijgt

38.

Geef het juiste begrip:


Een groene plant, maakt zijn eigen voedsel aan.

a)

producent

b)

consument

39.

De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...

a)

bedreiging voor de biodiversiteit

b)

bescherming voor de biodiversiteit

40.

De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...

a)

bedreiging voor de biodiversiteit

b)

bescherming voor de biodiversiteit

41.

De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...

a)

bedreiging voor de biodiversiteit

b)

bescherming voor de biodiversiteit

42.

De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...

a)

bedreiging voor de biodiversiteit

b)

bescherming voor de biodiversiteit

43.

Biodiversiteit bevindt zich op drie niveau's: soorten, genen en ecosysteem. Welke uitleg hoor bij "soorten"?

a)

variatie aan alle soorten organismen op aarde

b)

variatie aan organismen binnen één soort

c)

variatie aan alle ecosystemen op aarde

44.

Biodiversiteit bevindt zich op drie niveau's: soorten, genen en ecosysteem. Welke uitleg hoor bij "ecosystemen"?

a)

variatie aan alle soorten organismen op aarde

b)

variatie aan organismen binnen één soort

c)

variatie aan alle ecosystemen op aarde

45.

Biodiversiteit bevindt zich op drie niveau's: soorten, genen en ecosysteem. Welke uitleg hoor bij "genen"?

a)

variatie aan alle soorten organismen op aarde

b)

variatie aan organismen binnen één soort

c)

variatie aan alle ecosystemen op aarde