wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Check; th1 en 2 (vmbo3)

Total questions: 45

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Waar staat SOA voor?

a)

Sensuele overgeefbare aandoeningen

b)

Seksueel overdraagbare aandoening

c)

Steriele operatie assistent

d)

Een ziekte in je sperma

2.

Waar vindt de bevruchting plaats?

a)

in de vagina

b)

In de baarmoeder

c)

In de eierstokken

d)

In de eileider

3.

Waar kan chlamydia toe leiden?

a)

Een druiper

b)

Nare geurtjes

c)

De dood

d)

Onvruchtbare vrouw doordat eileider verstopt

4.

Vanaf welk moment beginnen de persweeën?

a)

Als de baby in stuitligging ligt

b)

Als de baby moet indalen

c)

Tijdens de uitdrijving

d)

Als de baarmoedermond verder open moet gaan

5.

Wat is de meest gebruikte anticonceptie?

a)

De pil

b)

Het condoom

c)

Spiraaltje

d)

periodieke onthouding

6.

Waar worden de spermacellen geproduceerd?

a)

teelballen

b)

bijballen

c)

prostaat

d)

zaadblaasje

7.

Waar worden de eicellen geproduceerd?

a)

baarmoeder

b)

eierstok

c)

eileider

d)

vagina

8.

Hoe wordt de eisprong ook wel genoemd?

a)

masturbatie

b)

ovulatie

c)

evolutie

d)

menstruatie

9.

Een voorbeeld van een secundair geslachtskenmerk bij de vrouw is...

a)

schaamlippen

b)

vagina

c)

ovulatie

d)

okselhaar

10.

Nummer 3 is...

a)

eierstok

b)

eileider

c)

urineblaas

d)

baarmoeder

11.

De taak van onderdeel S is...

a)

maken van zaadcellen

b)

opslaan van zaadcellen

c)

toevoegen van zaadvocht

d)

opslaan van eicellen

12.

In welk orgaan worden zaadcellen tijdelijk opgeslagen?

a)

in de teelballen

b)

in de zwellichamen

c)

in de bijballen

d)

in het zaadblaasje

13.

Welk voorbehoedsmiddel beschermt en tegen zwangerschap en tegen een geslachtsziekte (soa)

a)

de Pil

b)

het pessarium

c)

het spiraaltje

d)

het condoom

14.

In welk orgaan vind de vorming van eicellen plaats?

a)

eileider

b)

eierstok

c)

baarmoeder

d)

vagina

15.
Vinden er bij zwangere vrouw menstruaties plaats? En ovulaties?
a)
Er vinden zowel menstruaties als ovulaites plaats.
b)
Er vinden menstruaties plaats, maar geen ovulaties.
c)
Er vinden ovulaties plaats, maar geen menstruaties.
d)
Er vinden geen menstruaties en geen ovulaties plaats.
16.
Er verschillende fase bij de bevalling.
1 Uitdrijving. 
2 Ontsluiting.
3 Weeën.
Wat is de juiste volgorde tijdens een bevalling?
a)
1 - 2 - 3
b)
2- 3 - 1
c)
3 - 2 - 1
d)
3 - 1 - 2
17.
De navelstreng bestaat helemaal uit weefsel van het embryo
a)
Juist
b)
Onjuist
18.
In het vruchtwater leert een embryo zwemmen.
a)
Juist
b)
Onjuist
19.
Na 12 weken noem je een embryo een foetus.
a)
Juist
b)
Onjuist
20.
Welke fase?
Leert zitten, lopen, blokjes oppakken en reageren op andere mensen.
a)
Baby
b)
Peuter
c)
Kleuter
d)
Schoolkind
21.
Welke fase?
Leert lezen, schrijven en rekenen.
a)
Peuter
b)
Kleuter
c)
Schoolkind
d)
Puber
22.

Wat zijn secundaire geslachtskenmerken van de man? Let op; meer dan 1 antwoord!

a)

Zwaardere stem

b)

Groeispurt

c)

Grotere penis

d)

Balzak

e)

Gespierdere lichaamsbouw

23.

Wat is geen functie van de prostaat?

a)

Vocht toevoegen dat voedingsstoffen bevat

b)

Vocht toevoegen dat de spermacellen activeert

c)

Vocht toevoegen dat de zaadcellen beschermt tegen de zure omgeving

d)

Zorgt er voor dat er geen urine bij het sperma komt

24.

Wat zit in de nageboorte?

a)

Gehele navelstreng

b)

Vruchtvliezen

c)

Baarmoederwand

d)

Placenta

25.

Ratten en mensen zijn zoogdieren. De bouw van een celkern is bij alle zoogdieren in principe gelijk.

Van een bruine rat bevatten bepaalde cellen per kern in totaal 21 verschillende chromosomen.

Zijn deze cellen geslachtscellen of lichaamscellen? Of is dat niet te zeggen?

a)

geslachtscellen

b)

lichaamscellen

c)

dat is niet te zeggen

26.

Bij welk proces treedt bij de meeste dieren meiose op?

a)

bij de bevruchting

b)

bij de vorming van geslachtscellen

c)

bij ongeslachtelijke voortplanting

d)

bij de deling van bijvoorbeeld huidcellen

27.

Welk begrip past het beste bij geslachtscellen?

a)

Reductiedeling

b)

DNA en eiwit

c)

Mitose

28.
Beantwoord de volgende vragen met behulp van deze gegevens:
een bladcel van een erwtenplant bevat 14 chromosomen;
een pootcel van een kater bevat 38 chromosomen;
een niercel van een mens bevat 46 chromosomen.
Hoeveel chromosomen bevat een staartcel van een kater?
a)
14
b)
38
c)
72
d)
46
29.

Nadat mitose heeft plaatsgevonden, zijn de nieuwe cellen:

a)

identiek

b)

half identiek en half verschillend

c)

verschillend

d)

allemaal gestrekt

30.

Waarvoor vindt in een organisme mitose plaats (meerdere antwoorden zijn goed).

a)

Om oude cellen te vervangen

b)

Voor herstel van een beschadiging

c)

Voor het maken van geslachtscellen

d)

Voor groei en ontwikkeling

31.

hoe noem je de de fase waarin de cel na de deling groter wordt?

a)

plasmagroei

b)

celstrekking

c)

mitose

d)

meiose

32.
Deze cellen hebben cytplasma
a)
Dierlijke cel
b)
Plantaardige cel
c)
Beide soorten cellen
d)
Allebei niet
33.
Deze cellen hebben een celmembraan.
a)
Dieriljke cellen
b)
Plantaardige cellen
c)
Beide de soorten cellen
d)
Allebei niet
34.
Deze cellen kunnen plastiden hebben.
a)
Dierlijke cellen
b)
Plantaardige cellen
c)
Allebei de soorten
d)
Allebei niet
35.

In welke korrels vindt fotosynthese plaats?

a)

zetmeelkorrels

b)

bladgroenkorrels

c)

kleurstofkorrels

36.

Het geeft de plantaardige cel stevigheid, het is een...

a)

celwand

b)

celmembraan

c)

cytoplasma

37.

Biologie is .....

a)

het bekijken van organismen

b)

de leer van het leven

c)

alle levensverschijnselen bij elkaar

d)

kijken naar het leven

38.

Welke levensfase heeft een mens van 4-6 jaar?

a)

Adolescent

b)

Baby

c)

Peuter

d)

Kleuter

39.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Object
b)
Oculair
c)
Diafragma
d)
Statief
40.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Revolver
b)
Lamp
c)
Oculair
d)
Tubus
41.

Welke twee levenskenmerken vallen onder ''stofwisseling''

a)

Uitscheiden

b)

Regeren op prikkels

c)

Waarnemen

d)

Ademhalen

e)

Groeien

42.

Elk individu heeft een..

a)

Levensloop

b)

Levenscyclus

43.

Welk orgaanstelsel is in de bovenstaande afbeelding te zien?

a)

Uitscheidingsstelsel

b)

Spijsverteringsstelsel

c)

Zenuwstelsel

d)

Bloedvatenstelsel

44.

Hoe heet het organisatieniveau dat kleiner is dan een orgaan en groter dan een cel?

a)

Weefsel

b)

Organenstelsel

c)

Cel

d)

Orgaan

45.

Zijn de chromosomen op dit plaatje van een man of van een vrouw?

a)

Man

b)

Vrouw

c)

Geen van beide