Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4. Taalverzorging H2

Total questions: 16

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

In het Nederlands schrijf je twee of meer woorden aan elkaar als zij één begrip vormen.

a)

waar

b)

niet waar

2.

Welke samenstelling is goed geschreven?

a)

kassanbon

b)

schoolpas

c)

oliebolkraam

3.

Welk woord is goed geschreven?

a)

Zuid Brabant

b)

uit laten

c)

bokstraining

4.

Welk woord is fout geschreven?

a)

zesenzeventig

b)

kaasboer

c)

Oost Friese

5.

Een zin met meerdere persoonsvormen heet een samengestelde zin.

a)

waar

b)

niet waar

6.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: Jan heeft gisteren zijn verjaardag gevierd.

a)

Jan

b)

heeft

c)

zijn verjaardag

d)

gevierd

7.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: Tom heeft moeite met slapen en ligt soms urenlang wakker.

a)

heeft

b)

heeft, ligt

c)

ligt

8.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: Peter vindt dat onze school moet overstappen op tablets.

a)

vindt

b)

vindt, moet

c)

overstappen

9.

Welke persoonsvorm is goed geschreven?

a)

Peter vindt Mariska een leuke dame.

b)

Peter vind Mariska een leuke dame.

10.

Welke persoonsvorm is goed geschreven?

a)

Gisteren vermoede de rechter dat de verdachte vrijkwam.

b)

Gisteren vermoedde de rechter dat de verdachte vrijkwam.

11.

Welke persoonsvorm is goed geschreven?

a)

Het kostte wat tijd en geld, maar het is gelukt!

b)

Het koste wat tijd en geld, maar het is gelukt!

12.

Welke persoonsvorm is goed geschreven?

a)

Door de bejaarden wordt er flink gezweet en gepuft.

b)

Door de bejaarden word er flink gezweet en gepuft.

13.

Als je van twee losse zinnen één zin maakt, heb je een verbindingswoord nodig.

a)

waar

b)

niet waar

14.

Voorbeelden van verbindingswoorden zijn:

a)

en, want, omdat

b)

jij, hij, zij

c)

weet, zit, staat

15.

Wat is het voltooid deelwoord in de volgende zin: De campinggast heeft mooie prijzen gewonnen tijdens de bingo.

a)

heeft

b)

gewonnen

16.

Wat is het voltooid deelwoord in de volgende zin: Julia is in de vakantie naar Portugal geweest.

a)

is

b)

geweest