wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

voeding en vertering

Total questions: 40

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

Joodoplossing is een indicator van......

a)

Vitaminen

b)

Wit

c)

Zetmeel

d)

Glucose

2.
Wat geeft nummer 4 aan?
a)
galblaas
b)
maag
c)
Nier
d)
Lever
3.
Nummer 5 is de
a)
Dunne darm
b)
Dikke darm
c)
Endeldarm
d)
Blinde darm
4.
Deze voedingstof is bouwstof en brandstof maar geen reservestof of beschermende stof.
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Water
5.
Welke voedingstof moet je verteren voor het opgenomen kan worden?
a)
Glucose
b)
Mineralen
c)
Water
d)
Zetmeel
6.
Dit doodt bacteriën. 
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagzuur
d)
Darmsap
7.
Hoe heet orgaan 1?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
8.
Hoe heet orgaan 3?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
9.

Dit sap verteert vetten, eiwitten en koolhydraten

a)

Alvleessap

b)

Gal

c)

Maagsap

d)

Speeksel

10.
Dit sap zorgt ervoor dat vet en water kunnen mengen.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagsap
d)
Speeksel
11.
Hier wordt de voedselbrij ingedikt.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
12.

Hier worden de koolhydraten opgenomen in het bloed

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Twaalfvingerige darm

13.
Deze darm bevat darmvlokken.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
14.
Welk orgaan maakt alvleessap?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
15.
Welk orgaan maakt gal?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
16.
Welke stoffen komen uiteindelijk in je endeldarm terecht?
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Vezels
17.

Welke groepen van voedingsstoffen zijn er?

a)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten en vitaminen

b)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, mineralen, water en vitaminen

c)

Eiwitten, vetten, mineralen, zouten, water en vitaminen

d)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten, mineralen, water en vitaminen

18.
De functie van voedingsvezels is het bevorderen van de darmperistaltiek
a)
Juist
b)
Onjuist
19.
De functie van glazuur is?
a)
Laagje om het tandbeen van de wortels
b)
Het bevestigt de tand of kies in de kaak
c)
Zeer harde laag om het tandbeen van de kroon
d)
Het deel dat buiten de kaak uitsteekt
20.
Tandplak is een dun laagje aanslag dat zich dagelijks op de tanden en kiezen afzet
a)
Juist
b)
Onjuist
21.
Wat hebben herbivoren wel wat carnivoren in hun gebit niet hebben?
a)
Plooikiezen
b)
Hoektanden
c)
Knipkiezen
d)
Knobbelkiezen
22.
Herbivoren hebben een lang darmkanaal in verhouding tot hun lichaamslengte
a)
Juist
b)
Onjuist
23.
Plantaardig voedsel is makkelijker verteerbaar dan dierlijk voedsel
a)
Juist
b)
Onjuist
24.
Een bouwvakker heeft .... energie nodig dan iemand met een kantoor baan
a)
Meer
b)
Minder
c)
Evenveel
25.
De manier van conserveren die je hier ziet is
a)
Invriezen
b)
drogen
c)
Steriliseren
d)
Conserveermiddelen toevoegen
26.
Dit is een 
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
27.
Welke verteringsklieren geven verteringssappen af aan de voedselbrij in de twaalfvingerige darm
a)
lever en alvleesklier
b)
lever en maag
c)
alvleesklier en dunne darm
d)
gal en lever
28.
Welke tanden missen planteneters over het algemeen
a)
snijtanden
b)
hoektanden
c)
plooikiezen
29.
Hoe heet de kringspier (A) op het einde van de maag?
a)
maagklep
b)
maagpoort
c)
maagportier
d)
maagspier
30.
Enzymen uit de dunne darm zijn bedoeld voor de vertering van:
a)
eiwitten en vetten
b)
eiwitten en koolhydraten
c)
vetten en koolhydraten
d)
eiwitten, vetten en koolhydraten
31.
Onder beschermende stoffen vallen de 
a)
Koolhydraten en vetten
b)
mineralen en vitaminen
c)
Water en vitaminen
d)
Vitaminen en voedingsstoffen
32.
Er zijn zes voedingsstoffen. In welke voedingsmiddelen vind je veel eiwitten?
a)
melk, ei en vlees
b)
melk, ei en brood
c)
melk, kaas en citroen
d)
melk, ei en spinazie.
33.
Gal emulgeert vet, dit zorgt ervoor dat
a)
Het vet meer oppervlakte krijgt
b)
Het vet verteert
c)
Het vet samenklontert
34.

In een proef wordt uit een liter melk yoghurt gemaakt.

Neemt de hoeveelheid energierijke stoffen in de melk in de loop van deze proef af, blijft deze gelijk of neemt deze toe?

a)

De hoeveelheid energierijke stoffen neemt toe

b)

De hoeveelheid energierijke stoffen neemt af

35.

Iemand maakt een schema van de werking van enzymen (zie de afbeelding). Hierbij geldt: E = enzym en V = voedingsstof waarop het enzym inwerkt.Kan dit schema de enzymwerking juist weergeven?

a)

ja

b)

nee

36.

In de afbeelding is het verband tussen de temperatuur en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Bij welke temperaturen is dit enzym tijdelijk onwerkzaam?

a)

alleen bij temperaturen onder de 10°C

b)

alleen bij temperaturen onder de 35°C

c)

alleen bij temperaturen boven de 50°C

d)

Zowel bij temperaturen onder de 10°C als boven de 50°C

37.

In de afbeelding is het verband tussen de temperatuur en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Bij welke temperaturen is dit enzym voor altijd onwerkzaam?

a)

alleen bij temperaturen onder de 10°C

b)

alleen bij temperaturen onder de 35°C

c)

alleen bij temperaturen boven de 50°C

d)

Zowel bij temperaturen onder de 10°C als boven de 50°C

38.

Enzym uit speeksel breekt zetmeel af tot suikers. Een reageerbuis bevat een zetmeeloplossing. De temperatuur van de oplossing is 0 °C. Aan de oplossing wordt speeksel toegevoegd. Vervolgens wordt de reageerbuis langzaam verwarmd tot 90 °C.

Welke grafiek in de afbeelding geeft de verandering van de hoeveelheid suiker in de reageerbuis juist weer?

a)

grafiek 1

b)

grafiek 2

c)

grafiek 3

39.

Iemand maakt een schema van de werking van enzymen (zie de afbeelding). Hierbij geldt: E = enzym en V = voedingsstof waarop het enzym inwerkt.

Kan dit schema de enzymwerking juist weergeven?

a)

ja

b)

nee

40.

Drie methoden om voedselbederf door bacteriën en schimmels tegen te gaan, zijn invriezen, pasteuriseren en steriliseren.

Bij welke van deze methoden worden de enzymen in bacteriën en schimmels tijdelijk onwerkzaam gemaakt?

a)

Bij invriezen

b)

Bij pasteuriseren

c)

Bij steriliseren